Eliminar anuncios

Alemán

Traducciones detalladas de schelten de alemán a neerlandés

schelten:

schelten verbo (schelte, schiltst, schilt, schalt, schaltet, gescholten)

  1. schelten (ausschimpfen; schimpfen; beschimpfen; wettern)
    schelden; uitschelden; beledigen; uitjouwen; uitmaken voor
    • schelden verbo (scheld, scheldt, schold, scholden, gescholden)
    • uitschelden verbo (scheld uit, scheldt uit, schold uit, scholden uit, uitgescholden)
    • beledigen verbo (beledig, beledigt, beledigde, beledigden, beledigd)
    • uitjouwen verbo
    • uitmaken voor verbo (maak uit voor, maakt uit voor, maakte uit voor, maakten uit voor, uitgemaakt voor)
  2. schelten (jemandem etwas nachtragen; verweisen; blamieren; )
    beschuldigen; iemand iets verwijten; blameren; kwalijk nemen; nadragen; voor de voeten gooien; iemand iets aanrekenen; laken; aanwrijven
  3. schelten (meckern; schimpfen; beschimpfen; wettern; ausschimpfen)
    foeteren
    • foeteren verbo (foeter, foetert, foeterde, foeterden, gefoeterd)
  4. schelten (sichstreiten; streiten; schimpfen; )
    ruziën; ruzie maken; twisten; krakelen; kiften; kijven
    • ruziën verbo (ruzie, ruziet, ruziede, ruzieden, geruzied)
    • ruzie maken verbo (maak ruzie, maakt ruzie, maakte ruzie, maakten ruzie, ruzie gemaakt)
    • twisten verbo (twist, twistte, twistten, getwist)
    • krakelen verbo
    • kiften verbo (kift, kiftte, kiftten, gekift)
    • kijven verbo (kijf, kijft, keef, keven, gekeven)
  5. schelten (schimpfen auf)
  6. schelten (brüllen; rasen; wüten; )
    fulmineren; razen; tekeergaan; tieren; te keer gaan
    • fulmineren verbo (fulmineer, fulmineert, fulmineerde, fulmineerden, gefulmineerd)
    • razen verbo (raas, raast, raasde, raasden, geraasd)
    • tekeergaan verbo (ga tekeer, gaat tekeer, ging tekeer, gingen tekeer, tekeergegaan)
    • tieren verbo (tier, tiert, tierde, tierden, getierd)
    • te keer gaan verbo (ga te keer, gaat te keer, ging te keer, gingen te keer, te keer gegaan)
  7. schelten (ermahnen; bestrafen; warnen; )
    waarschuwen; berispen; manen; vermanen; terechtwijzen
    • waarschuwen verbo (waarschuw, waarschuwt, waarschuwde, waarschuwden, gewaarschuwd)
    • berispen verbo (berisp, berispt, berispte, berispten, berispt)
    • manen verbo (maan, maant, maande, maanden, gemaand)
    • vermanen verbo (vermaan, vermaant, vermaande, vermaanden, vermaand)
    • terechtwijzen verbo (wijs terecht, wijst terecht, wees terecht, wezen terecht, terechtgewezen)
  8. schelten (vorwerfen; schätzen; verweisen; )
    beschuldigen; verwijten; aanrekenen; voorhouden; blameren; voor de voeten gooien; berispen; aanwrijven; laken; nadragen; gispen
    • beschuldigen verbo (beschuldig, beschuldigt, beschuldigde, beschuldigden, beschuldigd)
    • verwijten verbo (verwijt, verweet, verweten, verweten)
    • aanrekenen verbo (reken aan, rekent aan, rekende aan, rekenden aan, aangerekend)
    • voorhouden verbo (houd voor, houdt voor, hield voor, hielden voor, voorgehouden)
    • blameren verbo (blameer, blameert, blameerde, blameerden, geblameerd)
    • berispen verbo (berisp, berispt, berispte, berispten, berispt)
    • aanwrijven verbo
    • laken verbo (laak, laakt, laakte, laakten, gelaakt)
    • nadragen verbo (draag na, draagt na, droeg na, droegen na, nagedragen)
    • gispen verbo (gisp, gispt, gispte, gispten, gegispt)
  9. schelten (bestrafen; verweisen; ermahnen; )
    berispen; terechtwijzen; vermanen
    • berispen verbo (berisp, berispt, berispte, berispten, berispt)
    • terechtwijzen verbo (wijs terecht, wijst terecht, wees terecht, wezen terecht, terechtgewezen)
    • vermanen verbo (vermaan, vermaant, vermaande, vermaanden, vermaand)
  10. schelten (schimpfen; keifen)
    tekeergaan; uitvaren; uit de slof schieten; donderen
    • tekeergaan verbo (ga tekeer, gaat tekeer, ging tekeer, gingen tekeer, tekeergegaan)
    • uitvaren verbo (vaar uit, vaart uit, voer uit, voeren uit, uitgevaren)
    • donderen verbo (donder, dondert, donderde, donderden, gedonderd)

Conjugaciones de schelten:

Präsens
  1. schelte
  2. schiltst
  3. schilt
  4. schelten
  5. scheltet
  6. schelten
Imperfekt
  1. schalt
  2. schaltst
  3. schalt
  4. schalten
  5. schaltet
  6. schalten
Perfekt
  1. habe gescholten
  2. hast gescholten
  3. hat gescholten
  4. haben gescholten
  5. habt gescholten
  6. haben gescholten
1. Konjunktiv [1]
  1. schelte
  2. scheltest
  3. schelte
  4. schelten
  5. scheltet
  6. schelten
2. Konjunktiv
  1. schälte
  2. schältest
  3. schälte
  4. schälten
  5. schältet
  6. schälten
Futur 1
  1. werde schelten
  2. wirst schelten
  3. wird schelten
  4. werden schelten
  5. werdet schelten
  6. werden schelten
1. Konjunktiv [2]
  1. würde schelten
  2. würdest schelten
  3. würde schelten
  4. würden schelten
  5. würdet schelten
  6. würden schelten
Diverses
  1. schelt!
  2. scheltt!
  3. schelten Sie!
  4. gescholten
  5. scheltend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Sinónimos de "schelten":


Traducciones automáticas externas:
Images:


Eliminar anuncios

Eliminar anuncios