Resumen
Inglés a neerlandés:   más información...
  1. slap:
  2. Wiktionary:
Neerlandés a inglés:   más información...
  1. slap:
  2. Wiktionary:
  3. User Contributed Translations for slap:
    • flaccid


Inglés

Traducciones detalladas de slap de inglés a neerlandés

slap:

to slap verbo (slaps, slapped, slapping)

  1. to slap (smack; hammer; hit; bang)
    slaan; meppen; hengsten; timmeren; hard slaan
    • slaan verbo (sla, slaat, sloeg, sloegen, geslagen)
    • meppen verbo (mep, mept, mepte, mepten, gemept)
    • hengsten verbo (hengst, hengstte, hengstten, gehengst)
    • timmeren verbo (timmer, timmert, timmerde, timmerden, getimmerd)
    • hard slaan verbo

Conjugaciones de slap:

present
  1. slap
  2. slap
  3. slaps
  4. slap
  5. slap
  6. slap
simple past
  1. slapped
  2. slapped
  3. slapped
  4. slapped
  5. slapped
  6. slapped
present perfect
  1. have slapped
  2. have slapped
  3. has slapped
  4. have slapped
  5. have slapped
  6. have slapped
past continuous
  1. was slapping
  2. were slapping
  3. was slapping
  4. were slapping
  5. were slapping
  6. were slapping
future
  1. shall slap
  2. will slap
  3. will slap
  4. shall slap
  5. will slap
  6. will slap
continuous present
  1. am slapping
  2. are slapping
  3. is slapping
  4. are slapping
  5. are slapping
  6. are slapping
subjunctive
  1. be slapped
  2. be slapped
  3. be slapped
  4. be slapped
  5. be slapped
  6. be slapped
diverse
  1. slap!
  2. let's slap!
  3. slapped
  4. slapping
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

slap [the ~] sustantivo

  1. the slap (blow; knock; smack)
    de klap; toegebrachte klap; de tik; de lel; de klop; de mep
  2. the slap (bang; blow)
    de klap; harde slag
  3. the slap (blow; smack)
    jens; de klap; de tik; toegebrachte klap; de knal; de lel; de dreun; de mep
  4. the slap
    de pets
    • pets [de ~ (m)] sustantivo
  5. the slap (wallop; clout; smack; punch)
    – a blow from a flat object (as an open hand) 1
    de peut; de klap; de stoot; de opstopper
    • peut [de ~ (m)] sustantivo
    • klap [de ~ (m)] sustantivo
    • stoot [de ~ (m)] sustantivo
    • opstopper [de ~ (m)] sustantivo
  6. the slap (blow; swipe; stroke; lash; smack)
    de handslag

Translation Matrix for slap:

NounTraducciones relacionadasOther Translations
dreun blow; slap; smack bang; blast; boom; bump; crash; punch; smack; thud; thump
handslag blow; lash; slap; smack; stroke; swipe
harde slag bang; blow; slap
jens blow; slap; smack
klap bang; blow; clout; knock; punch; slap; smack; wallop babble; backbiting; bang; blah; blast; blow; boom; bump; bunkum; clanging; claptrap; clout; crash; defamation; gossip; jab; jaw; mudslinging; nudge; prattle; punch; scandal; scandal-mongering; slander; slipslop; smack; talk; talkee-talkee; talking; talks; thud; thump; tittle-tattle; tolling; vilification; wallop; whopper; wishwash
klop blow; knock; slap; smack
knal blow; slap; smack bang; blast; boom; bump; crack; crash; detonation; explosion; pop; smack; thud; thump
lel blow; knock; slap; smack blow; clout; jab; lobe; nudge; punch; seed leaf; wallop; whopper
mep blow; knock; slap; smack blow; box on the ear; clout; jab; nudge; punch; wallop; whopper
opstopper clout; punch; slap; smack; wallop
pets slap
peut clout; punch; slap; smack; wallop blow; clout; jab; nudge; punch; turps; wallop; white spirit; whopper
stoot clout; punch; slap; smack; wallop blow; buffer; bump; bumper; clout; jab; nudge; punch; push; shake; shove; thrust; wallop; whopper
tik blow; knock; slap; smack
toegebrachte klap blow; knock; slap; smack
- smack; smacking
VerbTraducciones relacionadasOther Translations
hard slaan bang; hammer; hit; slap; smack
hengsten bang; hammer; hit; slap; smack plod at; punch; push; thump
meppen bang; hammer; hit; slap; smack
slaan bang; hammer; hit; slap; smack bang; batter; beat; hammer; hit; smack; smash; strike; thump
timmeren bang; hammer; hit; slap; smack drive in nails; hammer; nail; nail down; spike
AdverbTraducciones relacionadasOther Translations
- bang; bolt; slapdash; smack
OtherTraducciones relacionadasOther Translations
- spank

Palabras relacionadas con "slap":

  • slaps

Sinónimos de "slap":


Definiciones relacionadas de "slap":

  1. directly1
    • ran slap into her1
  2. the act of smacking something; a blow delivered with an open hand1
  3. a blow from a flat object (as an open hand)1
  4. hit with something flat, like a paddle or the open hand1
    • The impatient teacher slapped the student1
    • a gunshot slapped him on the forehead1

Wiktionary: slap

slap
noun
  1. A blow.
verb
  1. to give a slap
  2. To place, to put carelessly
slap
noun
  1. bestraffing

Cross Translation:
FromToVia
slap applaudisseren klatschen — bezeichnet Klangeindrücke, die beim Zusammenschlagen oder Aufprallen entstehen, und bedeutet speziell „mit den Händen klatschen, applaudieren“

Traducciones relacionadas de slap



Neerlandés

Traducciones detalladas de slap de neerlandés a inglés

slap:


Translation Matrix for slap:

NounTraducciones relacionadasOther Translations
faint bedwelming; flauwte; versuffing; zwijm
liquid nat; vloeistof; vocht
VerbTraducciones relacionadasOther Translations
faint flauwvallen; in katzwijm vallen; wegraken; zwijmelen
limp hinken; kreupel lopen; mank lopen; mankgaan
AdjectiveTraducciones relacionadasOther Translations
abstemious slap; slapjes krukkig; onbeholpen; onhandig; schutterig; slungelig; stumperig; stuntelig; sukkelig
bland karakterloos; slap; zonder karakter bleek; charmant; flauw; flets; genegenheid opwekkend; innemend; laf; minzaam; poeslief; smakeloos; stijlloos; verschoten; zonder zout; zoutloos
characterless karakterloos; slap; zonder karakter
diluted slap; waterachtig; waterig aangelengd; verdund
drained futloos; lamlendig; lusteloos; mat; slap
faint bleekjes; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zwak afgedempt; bleek; flauw; flauwtjes; flets; gedempt; halfluid; laf; mistig; nevelachtig; niet helder; onduidelijk; onhelder; schemerig; schimmig; vaag; vagelijk; verschoten; wazig; zonder zout; zoutloos; zwak; zwakjes
feeble bleekjes; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zwak matig; middelmatig; min; niet al te best; onbeduidend; smakeloos; stijlloos; zwak; zwakjes
fragile slap; zwak breekbaar; broos; delicaat; fijn; fijngevoelig; fragiel; frèle; iel; kwetsbaar; teder; teer; tenger; zwak
frail bleekjes; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zwak breekbaar; broos; delicaat; fijn; fijngevoelig; fragiel; frèle; iel; kwetsbaar; onsolide; teder; teer; tenger; zwak
insipid karakterloos; slap; zonder karakter
languid futloos; lamlendig; lusteloos; mat; slap langzaam; lijzig; log; loom; mat; niet uitbundig; sloom; traag
lifeless energieloos; futloos; lamlendig; landerig; lusteloos; slap dood; geesteloos; levenloos; niet bezield; onbezield; ongeanimeerd
limp energieloos; futloos; lamlendig; landerig; lusteloos; slap hangerig; lijzig; log; loom
liquid slap; waterachtig; waterig humide; liquide; nat; vloeibaar; vochtig
listless energieloos; futloos; lamlendig; landerig; lusteloos; mat; slap hangerig; langzaam; lijzig; log; loom; lusteloos; sloom; traag
pale bleekjes; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zwak blank; bleek; bleek van gelaatskleur; flauw; flets; kleurloos; ongekleurd; pips; verschoten; wit; wit van huidskleur
poor slap; slapjes arm; armelijk; armetierig; armoedig; armzalig; bar; behoeftig; berooid; deerniswekkend; dor; ellendig; erbarmelijk; erg; flodderig; gebrekkig; haveloos; inferieur; karig; klungelig; kommerlijk; krukkig; mager; matig; middelmatig; min; minderwaardig; minvermogend; misdeeld; niet al te best; noodlijdend; onbeduidend; onbeholpen; onbemiddeld; ondermaats; ondeugdelijk; ongegoed; onhandig; onvermogend; pover; rampzalig; schamel; schraal; schutterig; sjofel; sjofeltjes; slecht; slungelig; stumperig; stuntelig; sukkelig; tweederangs; verlopen; zwak; zwakjes
sick bleekjes; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zwak beu; gruwelijk; misselijk; naar; onpasselijk; onwel; pathologisch; spuugmisselijk; spuugzat; ziekelijk
spineless karakterloos; slap; zonder karakter willoos
wan bleekjes; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zwak
washed-out energieloos; futloos; lamlendig; landerig; lusteloos; slap
watery slap; waterachtig; waterig
weak bleekjes; karakterloos; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zonder karakter; zwak krachteloos; week; zwak
- zwak
AdverbTraducciones relacionadasOther Translations
slackly slap; slapjes
ModifierTraducciones relacionadasOther Translations
bad slap; slapjes achterbaks; ernaast; fout; foutief; gemeen; geniepig; gluiperig; in het geniep; min; mis; onjuist; onwaar; slecht; snood; stiekem; ten onrechte; vals; verkeerd
no energy energieloos; futloos; lamlendig; landerig; lusteloos; slap
washed out futloos; lamlendig; lusteloos; mat; slap blank; bleek; flauw; flets; pips; verschoten; wit; wit van huidskleur
without character karakterloos; slap; zonder karakter sfeerloos; zonder sfeer

Palabras relacionadas con "slap":


Sinónimos de "slap":


Antónimos de "slap":


Definiciones relacionadas de "slap":

  1. niet gespannen2
    • het touw hangt slap2
  2. wat weinig kan verdragen2
    • het ijs is nog erg slap2
  3. zonder doorzettingsvermogen2
    • het is slap dat hij die opleiding niet afmaakt2
  4. zonder veel kracht2
    • zijn arm hangt slap naar beneden2

Wiktionary: slap

slap
adjective
  1. phony, obviously of flimsy credibility
  2. limp, not hard, firm or rigid; flexible
  3. soft, floppy
  4. wine: having a lack of acidity
  5. yielding to the touch
  6. lacking in force or ability

Cross Translation:
FromToVia
slap flat; even; level; smooth platsans relief.

Traducciones relacionadas de slap