Eliminar anuncios

Español

Traducciones detalladas de avanzar de español a neerlandés

avanzar:

avanzar verbo

  1. avanzar (progresar; aplazarse; adelantar; avanzar sobre)
    aanrukken
    • aanrukken verbo (ruk aan, rukt aan, rukte aan, rukten aan, aangerukt)
  2. avanzar (pasar; expirar; transcurrir; declinar)
    voorbijgaan; verstrijken; verlopen; vervallen; vergaan; aflopen
    • voorbijgaan verbo (ga voorbij, gaat voorbij, ging voorbij, gingen voorbij, voorbij gegaan)
    • verstrijken verbo (verstrijk, verstrijkt, verstreek, verstreken, verstreken)
    • verlopen verbo (verloop, verloopt, verliep, verliepen, verlopen)
    • vervallen verbo (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • vergaan verbo (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • aflopen verbo (loop af, loopt af, liep af, liepen af, afgelopen)
  3. avanzar
    voortschrijden
    • voortschrijden verbo (schrijd voort, schrijdt voort, schreed voort, schreden voort, voortgeschreden)
  4. avanzar (avanzar sobre)
    oprukken; opmarcheren
    • oprukken verbo (ruk op, rukt op, rukte op, rukten op, opgerukt)
    • opmarcheren verbo (marcheer op, marcheert op, marcheerde op, marcheerden op, opgemarcheerd)
  5. avanzar (salir adelante; progresar; mejorar su posición; adelantar)
    vorderen; vooruitkomen; verder komen
    • vorderen verbo (vorder, vordert, vorderde, vorderden, gevorderd)
    • vooruitkomen verbo (kom vooruit, komt vooruit, kwam vooruit, kwamen vooruit, vooruit gekomen)
    • verder komen verbo
  6. avanzar (adelantar; perseguir; hacer subir; )
    zich haasten; opschieten; jagen; snellen; zich spoeden; vliegen; spoeden; jachten; reppen; jakkeren; ijlen
    • zich haasten verbo
    • opschieten verbo (schiet op, schoot op, schoten op, opgeschoten)
    • jagen verbo (jaag, jaagt, jaagde, jaagden, gejaagd)
    • snellen verbo (snel, snelt, snelde, snelden, gesneld)
    • zich spoeden verbo
    • vliegen verbo (vlieg, vliegt, vloog, vlogen, gevlogen)
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
    • jachten verbo (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • reppen verbo
    • jakkeren verbo (jakker, jakkert, jakkerde, jakkerden, gejakkerd)
    • ijlen verbo (ijl, ijlt, ijlde, ijlden, geijld)
  7. avanzar (ascender; subir)
    hogerop komen; bevorderd worden; zich opwerken
    • hogerop komen verbo (kom hogerop, komt hogerop, kwam hogerop, kwamen hogerop, hogerop gekomen)
    • bevorderd worden verbo (word bevorderd, wordt bevorderd, werd bevorderd, werden bevorderd, bevorderd geworden)
  8. avanzar (llevar adelante; atacar; forzar; )
    doordrijven
    • doordrijven verbo (drijf door, drijft door, dreef door, dreven door, doorgedreven)
  9. avanzar (adelantar; progresar; preceder)
    vooruitgaan
    • vooruitgaan verbo (ga vooruit, gaat vooruit, ging vooruit, gingen vooruit, vooruit gegaan)
  10. avanzar (quebrantar; imponer; atacar; )
  11. avanzar (mejorar)
    vooruitbrengen
    • vooruitbrengen verbo (breng vooruit, brengt vooruit, bracht vooruit, brachten vooruit, vooruitgebracht)

Conjugaciones de avanzar:

presente
  1. avanzo
  2. avanzas
  3. avanza
  4. avanzamos
  5. avanzáis
  6. avanzan
imperfecto
  1. avanzaba
  2. avanzabas
  3. avanzaba
  4. avanzábamos
  5. avanzabais
  6. avanzaban
indefinido
  1. avancé
  2. avanzaste
  3. avanzó
  4. avanzamos
  5. avanzasteis
  6. avanzaron
fut. de ind.
  1. avanzaré
  2. avanzarás
  3. avanzará
  4. avanzaremos
  5. avanzaréis
  6. avanzarán
condic.
  1. avanzaría
  2. avanzarías
  3. avanzaría
  4. avanzaríamos
  5. avanzaríais
  6. avanzarían
pres. de subj.
  1. que avance
  2. que avances
  3. que avance
  4. que avancemos
  5. que avancéis
  6. que avancen
imp. de subj.
  1. que avanzara
  2. que avanzaras
  3. que avanzara
  4. que avanzáramos
  5. que avanzarais
  6. que avanzaran
miscelánea
  1. ¡avanza!
  2. ¡avanzad!
  3. ¡no avances!
  4. ¡no avancéis!
  5. avanzado
  6. avanzando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

avanzar [el ~] sustantivo

  1. el avanzar (progresar)
    vorderen; vooruitgaan

Sinónimos de "avanzar":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de avanzar



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios