Eliminar anuncios

Español

Traducciones detalladas de darse prisa de español a neerlandés

darse prisa:

darse prisa verbo

  1. darse prisa (acosar; dar prisa; ir corriendo; )
    haasten; jagen; zich spoeden; aanpoten; overhaasten; voortmaken; haast maken; ijlen; spoeden
    • haasten verbo (haast, haastte, haastten, gehaast)
    • jagen verbo (jaag, jaagt, jaagde, jaagden, gejaagd)
    • zich spoeden verbo
    • aanpoten verbo (poot aan, pootte aan, pootten aan, aangepoot)
    • overhaasten verbo (overhaast, overhaastte, overhaastten, overhaast)
    • voortmaken verbo (maak voort, maakt voort, maakte voort, maakten voort, voortgemaakt)
    • haast maken verbo (maak haast, maakt haast, maakte haast, maakten haast, haast gemaakt)
    • ijlen verbo (ijl, ijlt, ijlde, ijlden, geijld)
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
  2. darse prisa (adelantar; perseguir; hacer subir; )
    zich haasten; opschieten; jagen; snellen; zich spoeden; vliegen; spoeden; jachten; reppen; jakkeren; ijlen
    • zich haasten verbo
    • opschieten verbo (schiet op, schoot op, schoten op, opgeschoten)
    • jagen verbo (jaag, jaagt, jaagde, jaagden, gejaagd)
    • snellen verbo (snel, snelt, snelde, snelden, gesneld)
    • zich spoeden verbo
    • vliegen verbo (vlieg, vliegt, vloog, vlogen, gevlogen)
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
    • jachten verbo (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • reppen verbo
    • jakkeren verbo (jakker, jakkert, jakkerde, jakkerden, gejakkerd)
    • ijlen verbo (ijl, ijlt, ijlde, ijlden, geijld)
  3. darse prisa (correr; aumentar la velocidad al llegar cerca de la meta; ir corriendo; )
    rennen; hardlopen
    • rennen verbo (ren, rent, rende, renden, gerend)
    • hardlopen verbo (loop hard, loopt hard, liep hard, liepen hard, hardgelopen)
  4. darse prisa (apresurarse; correr; apresurar; )
    reppen; jachten; jakkeren; spoeden
    • reppen verbo
    • jachten verbo (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • jakkeren verbo (jakker, jakkert, jakkerde, jakkerden, gejakkerd)
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
  5. darse prisa (acosar; cazar; apresurarse)
    opjagen
    • opjagen verbo (jaag op, jaagt op, jaagde op, jaagden op, opgejaagd)
  6. darse prisa (apresurarse; correr)
    spoeden; snellen
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
    • snellen verbo (snel, snelt, snelde, snelden, gesneld)
  7. darse prisa (padecer de estrés; precipitarse; apresurar; )
    stressen
    • stressen verbo (stres, strest, streste, stresten, gestest)
  8. darse prisa (ajetrearse; reventar; remover; trepar a; encaramarse a)
    omwoelen
    • omwoelen verbo (woel om, woelt om, woelde om, woelden om, omgewoeld)
  9. darse prisa (correr; ir volando; cazar; )
    sjezen; snel gaan
    • sjezen verbo (sjeez, sjeezt, sjeezde, sjeezden, gesjeezd)
    • snel gaan verbo

Conjugaciones de darse prisa:

presente
  1. me doy prisa
  2. te das prisa
  3. se da prisa
  4. nos damos prisa
  5. os dáis prisa
  6. se dan prisa
imperfecto
  1. me daba prisa
  2. te dabas prisa
  3. se daba prisa
  4. nos dábamos prisa
  5. os dabais prisa
  6. se daban prisa
indefinido
  1. me dí prisa
  2. te díste prisa
  3. se dió prisa
  4. nos dimos prisa
  5. os disteis prisa
  6. se dieron prisa
fut. de ind.
  1. me daré prisa
  2. te darás prisa
  3. se dará prisa
  4. nos daremos prisa
  5. os daréis prisa
  6. se darán prisa
condic.
  1. me daría prisa
  2. te darías prisa
  3. se daría prisa
  4. nos daríamos prisa
  5. os daríais prisa
  6. se darían prisa
pres. de subj.
  1. que me dé prisa
  2. que te des prisa
  3. que se dé prisa
  4. que nos demos prisa
  5. que os déis prisa
  6. que se den prisa
imp. de subj.
  1. que me diera prisa
  2. que te dieras prisa
  3. que se diera prisa
  4. que nos diéramos prisa
  5. que os dierais prisa
  6. que se dieran prisa
miscelánea
  1. ¡date! prisa
  2. ¡daos! prisa
  3. ¡no te des! prisa
  4. ¡no os déis! prisa
  5. dado prisa
  6. dándose prisa
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Sinónimos de "darse prisa":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de darse prisa



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios