Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de aboutir à de francés a neerlandés

aboutir à:

aboutir à verbo

  1. aboutir à (se retrouver; tomber dans; arriver)
    terechtkomen; geraken; verzeilen; belanden
    • terechtkomen verbo (kom terecht, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, terechtgekomen)
    • geraken verbo (geraak, geraakt, geraakte, geraakten, geraakt)
    • verzeilen verbo
    • belanden verbo (beland, belandt, belandde, belandden, beland)
  2. aboutir à (avoir pour conséquence; avoir pour résultat; se déverser dans; causer)
    resulteren; uitmonden; tot gevolg hebben; resultaat
    • resulteren verbo (resulteer, resulteert, resulteerde, resulteerden, geresulteerd)
    • uitmonden verbo (mond uit, mondt uit, mondde uit, mondden uit, uitgemond)
    • tot gevolg hebben verbo (heb tot gevolg, hebt tot gevolg, had tot gevolg, hadden tot gevolg, tot gevolg gehad)
    • resultaat verbo
  3. aboutir à (résulter; atteindre; culminer)
    resulteren; uitvloeien in; uitkomen bij
    • resulteren verbo (resulteer, resulteert, resulteerde, resulteerden, geresulteerd)
    • uitvloeien in verbo (vloei uit in, vloeit uit in, vloeide uit in, vloeiden uit in, uitgevloeid in)
    • uitkomen bij verbo
  4. aboutir à (avoir pour conséquence)
    uitkomen op; eindigen op
  5. aboutir à (mener à)
    uitdraaien op iets; uitpakken; uitlopen
  6. aboutir à (arriver à; atterrir; atteindre; )
    treffen; terechtkomen; raken
    • treffen verbo (tref, treft, trof, troffen, getroffen)
    • terechtkomen verbo (kom terecht, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, terechtgekomen)
    • raken verbo (raak, raakt, raakte, raakten, geraakt)
  7. aboutir à (viser; diriger)
    aansturen
    • aansturen verbo (stuur aan, stuurt aan, stuurde aan, stuurden aan, aangestuurd)
  8. aboutir à (s'écouler; expirer; se passer; )
    voorbijgaan; verstrijken; verlopen; vervallen; vergaan; aflopen
    • voorbijgaan verbo (ga voorbij, gaat voorbij, ging voorbij, gingen voorbij, voorbij gegaan)
    • verstrijken verbo (verstrijk, verstrijkt, verstreek, verstreken, verstreken)
    • verlopen verbo (verloop, verloopt, verliep, verliepen, verlopen)
    • vervallen verbo (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • vergaan verbo (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • aflopen verbo (loop af, loopt af, liep af, liepen af, afgelopen)

Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de aboutir à



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios