Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de accomplir de francés a neerlandés

accomplir:

accomplir verbo

  1. accomplir (faire; exécuter; réaliser; s'acquitter de)
    doen; uitvoeren; verrichten; handelen; uitrichten
    • doen verbo (doe, doet, deed, deden, gedaan)
    • uitvoeren verbo (voer uit, voert uit, voerde uit, voerden uit, uitgevoerd)
    • verrichten verbo (verricht, verrichtte, verrichtten, verricht)
    • handelen verbo (handel, handelt, handelde, handelden, gehandeld)
    • uitrichten verbo (richt uit, richtte uit, richtten uit, uitgericht)
  2. accomplir (achever; compléter; finir; )
    completeren; voltooien; afronden; afmaken; beëindigen; afwerken; klaarmaken; volbrengen; volmaken; een einde maken aan; afkrijgen; klaarkrijgen
    • completeren verbo (completeer, completeert, completeerde, completeerden, gecompleteerd)
    • voltooien verbo (voltooi, voltooit, voltooide, voltooiden, voltooid)
    • afronden verbo (rond af, rondt af, rondde af, rondden af, afgerond)
    • afmaken verbo (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • beëindigen verbo (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afwerken verbo (werk af, werkt af, werkte af, werkten af, afgewerkt)
    • klaarmaken verbo (maak klaar, maakt klaar, maakte klaar, maakten klaar, klaargemaakt)
    • volbrengen verbo (volbreng, volbrengt, volbracht, volbrachten, volbracht)
    • volmaken verbo (volmaak, volmaakt, volmaakte, volmaakten, volmaakt)
    • een einde maken aan verbo (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
    • afkrijgen verbo (krijg af, krijgt af, kreeg af, kregen af, afgekregen)
    • klaarkrijgen verbo (krijg klaar, krijgt klaar, kreeg klaar, kregen klaar, klaargekregen)
  3. accomplir (prouver)
    waarmaken
    • waarmaken verbo (maak waar, maakt waar, maakte waar, maakten waar, waargemaakt)
  4. accomplir (parcourir)
    afleggen; meters maken
  5. accomplir (réaliser; développer; effectuer)
    realiseren; bewerkstelligen; verwezenlijken; verwerkelijken
    • realiseren verbo (realiseer, realiseert, realiseerde, realiseerden, gerealiseerd)
    • bewerkstelligen verbo (bewerkstellig, bewerkstelligt, bewerkstelligde, bewerkstelligden, bewerkstelligd)
    • verwezenlijken verbo (verwezenlijk, verwezenlijkt, verwezenlijkte, verwezenlijkten, verwezenlijkt)
    • verwerkelijken verbo (verwerkelijk, verwerkelijkt, verwerkelijkte, verwerkelijkten, verwerkelijkt)
  6. accomplir (exécuter; effectuer)
    voltrekken
    • voltrekken verbo (voltrek, voltrekt, voltrok, voltrokken, voltrokken)
  7. accomplir (effectuer; réaliser)
    totstandbrengen
    • totstandbrengen verbo (breng totstand, brengt totstand, bracht totstand, brachten totstand, totstandgebracht)
  8. accomplir (effectuer; exécuter; réaliser; fabriquer)
  9. accomplir (parvenir à; réussir; arriver à; )
    voor elkaar krijgen; bewerkstelligen; klaarspelen; bedingen; fixen; lappen
    • bewerkstelligen verbo (bewerkstellig, bewerkstelligt, bewerkstelligde, bewerkstelligden, bewerkstelligd)
    • klaarspelen verbo (speel klaar, speelt klaar, speelde klaar, speelden klaar, klaargespeeld)
    • bedingen verbo (beding, bedingt, bedong, bedongen, bedongen)
    • fixen verbo
    • lappen verbo (lap, lapt, lapte, lapten, gelapt)

Conjugaciones de accomplir:

Présent
  1. accomplis
  2. accomplis
  3. accomplit
  4. accomplissons
  5. accomplissez
  6. accomplissent
imparfait
  1. accomplissais
  2. accomplissais
  3. accomplissait
  4. accomplissions
  5. accomplissiez
  6. accomplissaient
passé simple
  1. accomplis
  2. accomplis
  3. accomplit
  4. accomplîmes
  5. accomplîtes
  6. accomplirent
futur simple
  1. accomplirai
  2. accompliras
  3. accomplira
  4. accomplirons
  5. accomplirez
  6. accompliront
subjonctif présent
  1. que j'accomplisse
  2. que tu accomplisses
  3. qu'il accomplisse
  4. que nous accomplissions
  5. que vous accomplissiez
  6. qu'ils accomplissent
conditionnel présent
  1. accomplirais
  2. accomplirais
  3. accomplirait
  4. accomplirions
  5. accompliriez
  6. accompliraient
passé composé
  1. ai accompli
  2. as accompli
  3. a accompli
  4. avons accompli
  5. avez accompli
  6. ont accompli
divers
  1. accomplis!
  2. accomplissez!
  3. accomplissons!
  4. accompli
  5. accomplissant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "accomplir":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de accomplir



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios