Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de apparaître de francés a neerlandés

apparaître:

apparaître verbo

  1. apparaître (paraître; montrer)
    verschijnen; voordoen; voor de dag komen; aan het licht komen
  2. apparaître (avoir l'air de; sembler; paraître; )
    er uitzien; ogen
  3. apparaître (surgir; arriver)
    opkomen; verschijnen; opduiken; opdagen
    • opkomen verbo (kom op, komt op, kwam op, kwamen op, opgekomen)
    • verschijnen verbo (verschijn, verschijnt, verscheen, verschenen, verschenen)
    • opduiken verbo (duik op, duikt op, dook op, doken op, opgedoken)
    • opdagen verbo (daag op, daagt op, daagde op, daagden op, opgedaagd)
  4. apparaître (sembler; paraître; avoir l'air)
    schijnen; lijken; eruit zien; toeschijnen
    • schijnen verbo (schijn, schijnt, scheen, schenen, geschenen)
    • lijken verbo (lijk, lijkt, leek, leken, geleken)
    • eruit zien verbo (zie eruit, ziet eruit, zag eruit, zagen eruit, eruit gezien)
    • toeschijnen verbo (schijn toe, schijnt toe, scheen toe, schenen toe, toegeschenen)
  5. apparaître
  6. apparaître (s'ébruiter; paraître; se présenter; se montrer)
    uitkomen; ontdekt worden; uitkomen van geheim
  7. apparaître (surgir; emerger)
    opdoemen; verrijzen
    • opdoemen verbo (doem op, doemt op, doemde op, doemden op, opgedoemd)
    • verrijzen verbo (verrijs, verrijst, verrees, verrezen, verrezen)

Conjugaciones de apparaître:

Présent
  1. apparais
  2. apparais
  3. apparaît
  4. apparaissons
  5. apparaissez
  6. apparaissent
imparfait
  1. apparaissais
  2. apparaissais
  3. apparaissait
  4. apparaissions
  5. apparaissiez
  6. apparaissaient
passé simple
  1. apparus
  2. apparus
  3. apparut
  4. apparûmes
  5. apparûtes
  6. apparurent
futur simple
  1. apparaîtrai
  2. apparaîtras
  3. apparaîtra
  4. apparaîtrons
  5. apparaîtrez
  6. apparaîtront
subjonctif présent
  1. que j'apparaisse
  2. que tu apparaisses
  3. qu'il apparaisse
  4. que nous apparaissions
  5. que vous apparaissiez
  6. qu'ils apparaissent
conditionnel présent
  1. apparaîtrais
  2. apparaîtrais
  3. apparaîtrait
  4. apparaîtrions
  5. apparaîtriez
  6. apparaîtraient
passé composé
  1. ai apparu
  2. as apparu
  3. a apparu
  4. avons apparu
  5. avez apparu
  6. ont apparu
divers
  1. apparais!
  2. apparaissez!
  3. apparaissons!
  4. apparu
  5. apparaissant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

apparaître [le ~] sustantivo

  1. l'apparaître (faire sembler)
    schijnen; doen voorkomen

Sinónimos de "apparaître":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de apparaître



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios