Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de arracher de francés a neerlandés

arracher:

arracher verbo

  1. arracher (donner une secousse; tirer fort)
    trekken; rukken
    • trekken verbo (trek, trekt, trok, trokken, getrokken)
    • rukken verbo (ruk, rukt, rukte, rukten, gerukt)
  2. arracher (détacher; déchirer; enlever; séparer)
    afrukken; afscheuren
    • afrukken verbo (ruk af, rukt af, rukte af, rukten af, afgerukt)
    • afscheuren verbo (scheur af, scheurt af, scheurde af, scheurden af, afgescheurd)
  3. arracher (mettre en lambeaux; déchirer; dévorer; )
    verscheuren; aan flarden scheuren
    • verscheuren verbo (verscheur, verscheurt, verscheurde, verscheurden, verscheurd)
    • aan flarden scheuren verbo (scheur aan flarden, scheurt aan flarden, scheurde aan flarden, scheurden aan flarden, aan flarden gescheurd)
  4. arracher (déraciner)
    rooien
    • rooien verbo (rooi, rooit, rooide, rooiden, gerooid)
  5. arracher (extorquer; soutirer; commander; forcer)
    onttrekken; iem. afdwingen; ontrukken
  6. arracher (démonter; détruire; déchirer; )
  7. arracher (rompre; dissocier; enlever de force; )
    losrukken; lostrekken; losscheuren
    • losrukken verbo (ruk los, rukt los, rukte los, rukten los, losgerukt)
    • lostrekken verbo (trek los, trekt los, trok los, trokken los, losgetrokken)
    • losscheuren verbo (scheur los, scheurt los, scheurde los, scheurden los, losgescheurd)
  8. arracher (enlever brutalement)
    wegrukken
    • wegrukken verbo (ruk weg, rukt weg, rukte weg, rukten weg, weggerukt)
  9. arracher (renverser en soufflant; renverser; abattre)
    omwaaien; omblazen; omverwaaien
  10. arracher (cueillir; détacher; enlever; égrapper)
    plukken; afplukken
    • plukken verbo (pluk, plukt, plukte, plukten, geplukt)
    • afplukken verbo (pluk af, plukt af, plukte af, plukten af, afgeplukt)
  11. arracher (dévorer; déchiqueter; mettre en lambeaux; )
    uit elkaar trekken; uit elkaar rukken; uiteentrekken
    • uit elkaar trekken verbo (trek uit elkaar, trekt uit elkaar, trok uit elkaar, trokken uit elkaar, uit elkaar getrokken)
    • uit elkaar rukken verbo (ruk uit elkaar, rukt uit elkaar, rukte uit elkaar, rukten uit elkaar, uit elkaar gerukt)
  12. arracher (se coincer le doigt dans la porte; étêter; mettre quelqu'un sur la sellette; se prendre le doigt dans la porte)
    afknijpen; afklemmen; afknellen
    • afknijpen verbo (knijp af, knijpt af, kneep af, knepen af, afgeknepen)
    • afklemmen verbo (klem af, klemt af, klemde af, klemden af, afgeklemd)
    • afknellen verbo (knel af, knelt af, knelde af, knelden af, afgekneld)
  13. arracher (provoquer; inciter à)
    ontlokken
    • ontlokken verbo (ontlok, ontlokt, ontlokte, ontlokten, ontlokt)
  14. arracher (démolir; détruire; démonter; )
    afbreken; slopen; omverhalen; uit elkaar halen; breken; neerhalen
    • afbreken verbo (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)
    • slopen verbo (sloop, sloopt, sloopte, sloopten, gesloopt)
    • omverhalen verbo (haal omver, haalt omver, haalde omver, haalden omver, omver gehaald)
    • uit elkaar halen verbo (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
    • breken verbo (breek, breekt, brak, braken, gebroken)
    • neerhalen verbo (haal neer, haalt neer, haalde neer, haalden neer, neergehaald)
  15. arracher (déchirer)
    stuk scheuren
    • stuk scheuren verbo (scheur stuk, scheurt stuk, scheurde stuk, scheurden stuk, stuk gescheurd)
  16. arracher (déchirer)
    uitscheuren; uitrukken
    • uitscheuren verbo (scheur uit, scheurt uit, scheurde uit, scheurden uit, uitgescheurd)
    • uitrukken verbo (ruk uit, rukt uit, rukte uit, rukten uit, uitgerukt)
  17. arracher (faire tomber)
    omverrukken
    • omverrukken verbo (ruk omver, rukt omver, rukte omver, rukten omver, omver gerukt)
  18. arracher (voler; piquer; dérober)
    stelen; snaaien; gappen; wegpikken; weggraaien
    • stelen verbo (steel, steelt, stal, stalen, gestolen)
    • snaaien verbo (snaai, snaait, snaaide, snaaiden, gesnaaid)
    • gappen verbo (gap, gapt, gapte, gapten, gegapt)
    • wegpikken verbo (pik weg, pikt weg, pikte weg, pikten weg, weggepikt)
    • weggraaien verbo (graai weg, graait weg, graaide weg, graaiden weg, weggegraaid)

Conjugaciones de arracher:

Présent
  1. arrache
  2. arraches
  3. arrache
  4. arrachons
  5. arrachez
  6. arrachent
imparfait
  1. arrachais
  2. arrachais
  3. arrachait
  4. arrachions
  5. arrachiez
  6. arrachaient
passé simple
  1. arrachai
  2. arrachas
  3. arracha
  4. arrachâmes
  5. arrachâtes
  6. arrachèrent
futur simple
  1. arracherai
  2. arracheras
  3. arrachera
  4. arracherons
  5. arracherez
  6. arracheront
subjonctif présent
  1. que j'arrache
  2. que tu arraches
  3. qu'il arrache
  4. que nous arrachions
  5. que vous arrachiez
  6. qu'ils arrachent
conditionnel présent
  1. arracherais
  2. arracherais
  3. arracherait
  4. arracherions
  5. arracheriez
  6. arracheraient
passé composé
  1. ai arraché
  2. as arraché
  3. a arraché
  4. avons arraché
  5. avez arraché
  6. ont arraché
divers
  1. arrache!
  2. arrachez!
  3. arrachons!
  4. arraché
  5. arrachant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "arracher":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de arracher



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios