Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de arriver de francés a neerlandés

arriver:

arriver verbo

  1. arriver (venir; atteindre)
    aankomen
    – na een reis ergens komen 1
    • aankomen verbo (kom aan, komt aan, kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
      • de trein komt om drie uur aan1
    arriveren
    • arriveren verbo (arriveer, arriveert, arriveerde, arriveerden, gearriveerd)
  2. arriver (se passer; avoir lieu; se faire; )
    gebeuren; plaats vinden; geschieden; plaats hebben
  3. arriver (se produire; se passer; survenir)
    gebeuren; voorvallen; voordoen; plaatsvinden; plaats hebben; passeren
    • gebeuren verbo
    • voorvallen verbo (val voor, valt voor, viel voor, vielen voor, voorgevallen)
    • voordoen verbo (doe voor, doet voor, deed voor, deden voor, voorgedaan)
    • plaatsvinden verbo (vind plaats, vindt plaats, vond plaats, vonden plaats, plaatsgevonden)
    • plaats hebben verbo (heb plaats, hebt plaats, had plaats, hadden plaats, plaats gehad)
    • passeren verbo (passeer, passeert, passeerde, passeerden, gepasseerd)
  4. arriver (apparaître; surgir)
    opkomen; verschijnen; opduiken; opdagen
    • opkomen verbo (kom op, komt op, kwam op, kwamen op, opgekomen)
    • verschijnen verbo (verschijn, verschijnt, verscheen, verschenen, verschenen)
    • opduiken verbo (duik op, duikt op, dook op, doken op, opgedoken)
    • opdagen verbo (daag op, daagt op, daagde op, daagden op, opgedaagd)
  5. arriver (se retrouver; aboutir à; tomber dans)
    terechtkomen; geraken; verzeilen; belanden
    • terechtkomen verbo (kom terecht, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, terechtgekomen)
    • geraken verbo (geraak, geraakt, geraakte, geraakten, geraakt)
    • verzeilen verbo
    • belanden verbo (beland, belandt, belandde, belandden, beland)
  6. arriver (achever; franchir la ligne d'arrivée)
    aankomen; finishen; eindigen
    • aankomen verbo (kom aan, komt aan, kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
    • finishen verbo (finish, finisht, finishte, finishten, gefinisht)
    • eindigen verbo (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
  7. arriver (arriver à quelqu'un)
    overkomen
    • overkomen verbo (overkom, overkomt, overkwam, overkwamen, overkomen)
  8. arriver (approcher; annoncer)
  9. arriver (surprendre; gagner; ramper; )
    bekruipen; het gevoel krijgen
  10. arriver (vaincre; maîtriser; apprivoiser; )
    overweldigen; overmeesteren; zich meester maken van; overmannen
  11. arriver (être apporté par le vent)
    overwaaien; voorbijtrekken
  12. arriver (arriver rapidement)
    snel komen
    • snel komen verbo (kom snel, komt snel, kwam snel, kwamen snel, snel gekomen)
  13. arriver (s'écouler; expirer; se passer; )
    voorbijgaan; verstrijken; verlopen; vervallen; vergaan; aflopen
    • voorbijgaan verbo (ga voorbij, gaat voorbij, ging voorbij, gingen voorbij, voorbij gegaan)
    • verstrijken verbo (verstrijk, verstrijkt, verstreek, verstreken, verstreken)
    • verlopen verbo (verloop, verloopt, verliep, verliepen, verlopen)
    • vervallen verbo (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • vergaan verbo (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • aflopen verbo (loop af, loopt af, liep af, liepen af, afgelopen)
  14. arriver (parvenir à; réussir; arriver à; )
    voor elkaar krijgen; bewerkstelligen; klaarspelen; bedingen; fixen; lappen
    • bewerkstelligen verbo (bewerkstellig, bewerkstelligt, bewerkstelligde, bewerkstelligden, bewerkstelligd)
    • klaarspelen verbo (speel klaar, speelt klaar, speelde klaar, speelden klaar, klaargespeeld)
    • bedingen verbo (beding, bedingt, bedong, bedongen, bedongen)
    • fixen verbo
    • lappen verbo (lap, lapt, lapte, lapten, gelapt)

Conjugaciones de arriver:

Présent
  1. arrive
  2. arrives
  3. arrive
  4. arrivons
  5. arrivez
  6. arrivent
imparfait
  1. arrivais
  2. arrivais
  3. arrivait
  4. arrivions
  5. arriviez
  6. arrivaient
passé simple
  1. arrivai
  2. arrivas
  3. arriva
  4. arrivâmes
  5. arrivâtes
  6. arrivèrent
futur simple
  1. arriverai
  2. arriveras
  3. arrivera
  4. arriverons
  5. arriverez
  6. arriveront
subjonctif présent
  1. que j'arrive
  2. que tu arrives
  3. qu'il arrive
  4. que nous arrivions
  5. que vous arriviez
  6. qu'ils arrivent
conditionnel présent
  1. arriverais
  2. arriverais
  3. arriverait
  4. arriverions
  5. arriveriez
  6. arriveraient
passé composé
  1. suis arrivé
  2. es arrivé
  3. est arrivé
  4. sommes arrivés
  5. êtes arrivés
  6. sont arrivés
divers
  1. arrive!
  2. arrivez!
  3. arrivons!
  4. arrivé
  5. arrivant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

arriver [le ~] sustantivo

  1. l'arriver (avoir lieu; se passer; se dérouler)
    plaatsvinden

Sinónimos de "arriver":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de arriver



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios