Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de cesser de francés a neerlandés

cesser:

cesser verbo

  1. cesser (finir; arrêter; terminer; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen verbo (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten verbo (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen verbo (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden verbo (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen verbo (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan verbo (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  2. cesser (stopper; arrêter; bloquer)
    ophouden; stopzetten; remmen; tegenhouden; halt houden; tot staan brengen
    • ophouden verbo (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stopzetten verbo (zet stop, zette stop, zetten stop, stopgezet)
    • remmen verbo (rem, remt, remde, remden, geremd)
    • tegenhouden verbo (houd tegen, houdt tegen, hield tegen, hielden tegen, tegengehouden)
    • halt houden verbo (houd halt, houdt halt, hield halt, hielden halt, halt gehouden)
    • tot staan brengen verbo (breng tot staan, brengt tot staan, bracht tot staan, brachten tot staan, tot staan gebracht)
  3. cesser (arrêter; abandonner; renoncer à; laisser)
    ophouden; stoppen; ermee uitscheiden; opgeven; staken; uitscheiden
    • ophouden verbo (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen verbo (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • opgeven verbo (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • staken verbo (staak, staakt, staakte, staakten, gestaakt)
    • uitscheiden verbo (scheid uit, scheidt uit, scheidde uit, scheidden uit, uitgescheiden)
  4. cesser (temporiser; retarder; ralentir; attarder; arrêter)
    vertragen; ophouden; temporiseren
    • vertragen verbo (vertraag, vertraagt, vertraagde, vertraagden, vertraagd)
    • ophouden verbo (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • temporiseren verbo (temporiseer, temporiseert, temporiseerde, temporiseerden, getemporiseerd)

Conjugaciones de cesser:

Présent
  1. cesse
  2. cesses
  3. cesse
  4. cessons
  5. cessez
  6. cessent
imparfait
  1. cessais
  2. cessais
  3. cessait
  4. cessions
  5. cessiez
  6. cessaient
passé simple
  1. cessai
  2. cessas
  3. cessa
  4. cessâmes
  5. cessâtes
  6. cessèrent
futur simple
  1. cesserai
  2. cesseras
  3. cessera
  4. cesserons
  5. cesserez
  6. cesseront
subjonctif présent
  1. que je cesse
  2. que tu cesses
  3. qu'il cesse
  4. que nous cessions
  5. que vous cessiez
  6. qu'ils cessent
conditionnel présent
  1. cesserais
  2. cesserais
  3. cesserait
  4. cesserions
  5. cesseriez
  6. cesseraient
passé composé
  1. ai cessé
  2. as cessé
  3. a cessé
  4. avons cessé
  5. avez cessé
  6. ont cessé
divers
  1. cesse!
  2. cessez!
  3. cessons!
  4. cessé
  5. cessant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "cesser":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de cesser



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios