Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de couper de francés a neerlandés

couper:

couper verbo

  1. couper (entamer; cisailler; mordre; tailler)
    snijden; afsnijden
    • snijden verbo (snijd, snijdt, sneed, sneden, gesneden)
    • afsnijden verbo (snijd af, snijdt af, sneed af, sneden af, afgesneden)
  2. couper (tailler; découper)
    trimmen; snoeien; knippen; besnoeien
    • trimmen verbo (trim, trimt, trimde, trimden, getrimd)
    • snoeien verbo (snoei, snoeit, snoeide, snoeiden, gesnoeid)
    • knippen verbo (knip, knipt, knipte, knipten, geknipt)
    • besnoeien verbo (besnoei, besnoeit, besnoeide, besnoeiden, besnoeid)
  3. couper (cisailler; donner un coup de ciseaux; tailler; découper)
    knippen; couperen; afknippen
    • knippen verbo (knip, knipt, knipte, knipten, geknipt)
    • couperen verbo (coupeer, coupeert, coupeerde, coupeerden, gecoupeerd)
    • afknippen verbo (knip af, knipt af, knipte af, knipten af, afgeknipt)
  4. couper (cesser; finir; arrêter; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen verbo (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten verbo (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen verbo (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden verbo (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen verbo (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan verbo (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  5. couper (découper en morceaux)
    hakken; in stukken hakken
    • hakken verbo (hak, hakt, hakte, hakten, gehakt)
    • in stukken hakken verbo (hak in stukken, hakt in stukken, hakte in stukken, hakten in stukken, in stukken gehakt)
  6. couper (coiffer; tailler)
    coifferen; knippen; kappen
    • coifferen verbo
    • knippen verbo (knip, knipt, knipte, knipten, geknipt)
    • kappen verbo (kap, kapt, kapte, kapten, gekapt)
  7. couper (débrancher; arrêter; déconnecter; débrayer; mettre hors de circuit)
    uitmaken; uitschakelen; uitzetten; afzetten; uitdoen
    • uitmaken verbo (maak uit, maakt uit, maakte uit, maakten uit, uitgemaakt)
    • uitschakelen verbo (schakel uit, schakelt uit, schakelde uit, schakelden uit, uitgeschakeld)
    • uitzetten verbo (zet uit, zette uit, zetten uit, uitgezet)
    • afzetten verbo (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • uitdoen verbo (doe uit, doet uit, deed uit, deden uit, uitgedaan)
  8. couper (dedoubler)
    scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteenhalen
    • scheiden verbo (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • splitsen verbo (splits, splitst, splitsde, splitsden, gesplitst)
    • uit elkaar halen verbo (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
    • uiteenhalen verbo (haal uiteen, haalt uiteen, haalde uiteen, haalden uiteen, uiteengehaald)
  9. couper (retrancher; trancher; abattre)
    afkappen; afhouwen; afhakken
    • afkappen verbo (kap af, kapt af, kapte af, kapten af, afgekapt)
    • afhouwen verbo (houw af, houwt af, houwde af, houwden af, afgehouwen)
    • afhakken verbo (hak af, hakt af, hakte af, hakten af, afgehakt)
  10. couper (élaguer; épuiser; déboiser; éclaircir; décimer)
    uitdunnen; wegkappen
    • uitdunnen verbo (dun uit, dunt uit, dunde uit, dunden uit, uitgedund)
    • wegkappen verbo (kap weg, kapt weg, kapte weg, kapten weg, weggekapt)
  11. couper (tailler; découper; raccourcir; donner un coup de ciseaux)
    kort maken; kort knippen; korten
    • kort maken verbo (maak 't kort, maakt 't kort, maakte 't kort, maakten 't kort, 't kort gemaakt)
    • kort knippen verbo
    • korten verbo (kort, kortte, kortten, gekort)
  12. couper (découper; cliver)
    opensnijden
    • opensnijden verbo (snijd open, snijdt open, sneed open, sneden open, opengesneden)
  13. couper (jouer un atout)
    troeven
    • troeven verbo (troef, troeft, troefte, troeften, getroeft)
  14. couper (entailler; créneler)
    kerven; snijwerk maken
    • kerven verbo (kerf, kerft, kerfde, kerfden, gekerfd)
    • snijwerk maken verbo (maak snijwerk, maakt snijwerk, maakte snijwerk, maakten snijwerk, snijwerk gemaakt)
  15. couper (diluer; allonger)
    verdunnen; versnijden; verwateren; aanlengen
    • verdunnen verbo (verdun, verdunt, verdunde, verdunden, verdund)
    • versnijden verbo (versnijd, versnijdt, versneed, versneden, versneden)
    • verwateren verbo (verwater, verwatert, verwaterde, verwaterden, verwaterd)
    • aanlengen verbo (leng aan, lengt aan, lengde aan, lengden aan, aangelengd)
  16. couper (devancer)
    aftroeven; overtroeven
    • aftroeven verbo (troef af, troeft af, troefde af, troefden af, afgetroefd)
    • overtroeven verbo (overtroef, overtroeft, overtroefde, overtroefden, overtroefd)
  17. couper (détacher)
    lossnijden
    • lossnijden verbo (snijd los, snijdt los, sneed los, sneden los, losgesneden)
  18. couper (démolir; détruire; démonter; )
    afbreken; slopen; omverhalen; uit elkaar halen; breken; neerhalen
    • afbreken verbo (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)
    • slopen verbo (sloop, sloopt, sloopte, sloopten, gesloopt)
    • omverhalen verbo (haal omver, haalt omver, haalde omver, haalden omver, omver gehaald)
    • uit elkaar halen verbo (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
    • breken verbo (breek, breekt, brak, braken, gebroken)
    • neerhalen verbo (haal neer, haalt neer, haalde neer, haalden neer, neergehaald)
  19. couper (enlever)
    wegsnijden
    • wegsnijden verbo (snijd weg, snijdt weg, sneed weg, sneden weg, weggesneden)
  20. couper (émonder; découper; élaguer)
    wegknippen; wegsnoeien
    • wegknippen verbo (knip weg, knipt weg, knipte weg, knipten weg, weggeknipt)
    • wegsnoeien verbo (snoei weg, snoeit weg, snoeide weg, snoeiden weg, weggesnoeid)
  21. couper (arracher; rompre; dissocier; )
    losrukken; lostrekken; losscheuren
    • losrukken verbo (ruk los, rukt los, rukte los, rukten los, losgerukt)
    • lostrekken verbo (trek los, trekt los, trok los, trokken los, losgetrokken)
    • losscheuren verbo (scheur los, scheurt los, scheurde los, scheurden los, losgescheurd)
  22. couper (tailler; ajuster)
    op maat snijden; toesnijden
  23. couper (cliver; trancher; fissurer; )
    kloven; klieven; doormidden hakken; doorklieven; doorhakken; doorhouwen; in tweeën houwen
    • kloven verbo (kloof, klooft, kloofde, kloofden, gekloofd)
    • klieven verbo (klief, klieft, kliefde, kliefden, gekliefd)
    • doorklieven verbo (klief door, klieft door, kliefde door, kliefden door, doorgekliefd)
    • doorhakken verbo (hak door, hakt door, hakte door, hakten door, doorgehakt)
    • doorhouwen verbo (houw door, houwt door, houwde door, houwden door, doorgehouwd)
  24. couper
    knippen
    • knippen verbo (knip, knipt, knipte, knipten, geknipt)

Conjugaciones de couper:

Présent
  1. coupe
  2. coupes
  3. coupe
  4. coupons
  5. coupez
  6. coupent
imparfait
  1. coupais
  2. coupais
  3. coupait
  4. coupions
  5. coupiez
  6. coupaient
passé simple
  1. coupai
  2. coupas
  3. coupa
  4. coupâmes
  5. coupâtes
  6. coupèrent
futur simple
  1. couperai
  2. couperas
  3. coupera
  4. couperons
  5. couperez
  6. couperont
subjonctif présent
  1. que je coupe
  2. que tu coupes
  3. qu'il coupe
  4. que nous coupions
  5. que vous coupiez
  6. qu'ils coupent
conditionnel présent
  1. couperais
  2. couperais
  3. couperait
  4. couperions
  5. couperiez
  6. couperaient
passé composé
  1. ai coupé
  2. as coupé
  3. a coupé
  4. avons coupé
  5. avez coupé
  6. ont coupé
divers
  1. coupe!
  2. coupez!
  3. coupons!
  4. coupé
  5. coupant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "couper":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de couper



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios