Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de exécuter de francés a neerlandés

exécuter:

exécuter verbo

  1. exécuter (faire; accomplir; réaliser; s'acquitter de)
    doen; uitvoeren; verrichten; handelen; uitrichten
    • doen verbo (doe, doet, deed, deden, gedaan)
    • uitvoeren verbo (voer uit, voert uit, voerde uit, voerden uit, uitgevoerd)
    • verrichten verbo (verricht, verrichtte, verrichtten, verricht)
    • handelen verbo (handel, handelt, handelde, handelden, gehandeld)
    • uitrichten verbo (richt uit, richtte uit, richtten uit, uitgericht)
  2. exécuter (assassiner; tuer; fusiller; )
    executeren; doodvonnis uitvoeren; vermoorden; doodschieten; om het leven brengen; ombrengen
  3. exécuter (travailler; réaliser; effectuer)
    werken; arbeiden
    • werken verbo (werk, werkt, werkte, werkten, gewerkt)
    • arbeiden verbo (arbeid, arbeidt, arbeidde, arbeidden, gearbeid)
  4. exécuter (commettre un acte; commettre; faire)
    plegen
    • plegen verbo (pleeg, pleegt, pleegde, pleegden, gepleegd)
  5. exécuter (perpétrer; consommer)
    volvoeren
    • volvoeren verbo (volvoer, volvoert, volvoerde, volvoerden, volvoerd)
  6. exécuter (mettre à mort)
    terechtstellen; ter dood brengen; executeren
    • terechtstellen verbo (stel terecht, stelt terecht, stelde terecht, stelden terecht, terechtgesteld)
    • executeren verbo (executeer, executeert, executeerde, executeerden, geëxecuteerd)
  7. exécuter (achever; compléter; finir; )
    completeren; voltooien; afronden; afmaken; beëindigen; afwerken; klaarmaken; volbrengen; volmaken; een einde maken aan; afkrijgen; klaarkrijgen
    • completeren verbo (completeer, completeert, completeerde, completeerden, gecompleteerd)
    • voltooien verbo (voltooi, voltooit, voltooide, voltooiden, voltooid)
    • afronden verbo (rond af, rondt af, rondde af, rondden af, afgerond)
    • afmaken verbo (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • beëindigen verbo (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afwerken verbo (werk af, werkt af, werkte af, werkten af, afgewerkt)
    • klaarmaken verbo (maak klaar, maakt klaar, maakte klaar, maakten klaar, klaargemaakt)
    • volbrengen verbo (volbreng, volbrengt, volbracht, volbrachten, volbracht)
    • volmaken verbo (volmaak, volmaakt, volmaakte, volmaakten, volmaakt)
    • een einde maken aan verbo (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
    • afkrijgen verbo (krijg af, krijgt af, kreeg af, kregen af, afgekregen)
    • klaarkrijgen verbo (krijg klaar, krijgt klaar, kreeg klaar, kregen klaar, klaargekregen)
  8. exécuter (effectuer; accomplir)
    voltrekken
    • voltrekken verbo (voltrek, voltrekt, voltrok, voltrokken, voltrokken)
  9. exécuter (accomplir; effectuer; réaliser; fabriquer)
  10. exécuter (parvenir à; réussir; arriver à; )
    voor elkaar krijgen; bewerkstelligen; klaarspelen; bedingen; fixen; lappen
    • bewerkstelligen verbo (bewerkstellig, bewerkstelligt, bewerkstelligde, bewerkstelligden, bewerkstelligd)
    • klaarspelen verbo (speel klaar, speelt klaar, speelde klaar, speelden klaar, klaargespeeld)
    • bedingen verbo (beding, bedingt, bedong, bedongen, bedongen)
    • fixen verbo
    • lappen verbo (lap, lapt, lapte, lapten, gelapt)
  11. exécuter (éliminer une personne; tuer; assassiner; liquider)
    liquideren; afmaken; uit de weg ruimen; koudmaken
    • liquideren verbo (liquideer, liquideert, liquideerde, liquideerden, geliquideerd)
    • afmaken verbo (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • uit de weg ruimen verbo (ruim uit de weg, ruimt uit de weg, ruimde uit de weg, ruimden uit de weg, uit de weg geruimd)
    • koudmaken verbo
  12. exécuter
    uitvoeren
    • uitvoeren verbo (voer uit, voert uit, voerde uit, voerden uit, uitgevoerd)

Conjugaciones de exécuter:

Présent
  1. exécute
  2. exécutes
  3. exécute
  4. exécutons
  5. exécutez
  6. exécutent
imparfait
  1. exécutais
  2. exécutais
  3. exécutait
  4. exécutions
  5. exécutiez
  6. exécutaient
passé simple
  1. exécutai
  2. exécutas
  3. exécuta
  4. exécutâmes
  5. exécutâtes
  6. exécutèrent
futur simple
  1. exécuterai
  2. exécuteras
  3. exécutera
  4. exécuterons
  5. exécuterez
  6. exécuteront
subjonctif présent
  1. que j'exécute
  2. que tu exécutes
  3. qu'il exécute
  4. que nous exécutions
  5. que vous exécutiez
  6. qu'ils exécutent
conditionnel présent
  1. exécuterais
  2. exécuterais
  3. exécuterait
  4. exécuterions
  5. exécuteriez
  6. exécuteraient
passé composé
  1. ai exécuté
  2. as exécuté
  3. a exécuté
  4. avons exécuté
  5. avez exécuté
  6. ont exécuté
divers
  1. exécute!
  2. exécutez!
  3. exécutons!
  4. exécuté
  5. exécutant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "exécuter":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de exécuter



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios