Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de filer de francés a neerlandés

filer:

filer verbo

  1. filer (s'échapper; fuir; partir en courant; )
    vluchten; wegkomen; ontvluchten; weglopen; ontsnappen aan; zich vrijmaken; ontkomen; wegrennen; ontglippen
    • vluchten verbo (vlucht, vluchtte, vluchtten, gevlucht)
    • wegkomen verbo (kom weg, komt weg, kwam weg, kwamen weg, weggekomen)
    • ontvluchten verbo (ontvlucht, ontvluchtte, ontvluchtten, ontvlucht)
    • weglopen verbo (loop weg, loopt weg, liep weg, liepen weg, weggelopen)
    • ontkomen verbo (ontkom, ontkomt, ontkwam, ontkwamen, ontkomen)
    • wegrennen verbo (ren weg, rent weg, rende weg, renden weg, weggerend)
    • ontglippen verbo (ontglip, ontglipt, ontglipte, ontglipten, ontglipt)
  2. filer (faire de la course; courir; sprinter; )
    rennen; hardlopen
    • rennen verbo (ren, rent, rende, renden, gerend)
    • hardlopen verbo (loop hard, loopt hard, liep hard, liepen hard, hardgelopen)
  3. filer (s'enfuir; fuir; déserter; s'échapper)
    weglopen; van huis weglopen
  4. filer (siffler)
    zoeven
    • zoeven verbo (zoef, zoeft, zoefde, zoefden, gezoefd)
  5. filer (prendre en filature)
    schaduwen
    • schaduwen verbo (schaduw, schaduwt, schaduwde, schaduwden, geschaduwd)
  6. filer (se démailler)
    ladderen
    • ladderen verbo (ladder, laddert, ladderde, ladderden, geladderd)
  7. filer (ficher le camp; échapper à; lever l'ancre; se faire la paire)
    er vandoor gaan; er tussenuit knijpen
    • er vandoor gaan verbo (ga er vandoor, gaat er vandoor, ging er vandoor, gingen er vandoor, er vandoor gegaan)
    • er tussenuit knijpen verbo (knijp er tussenuit, knijpt er tussenuit, kneep er tussenuit, knepen er tussenuit, tussenuit geknepen)
  8. filer (échapper; se sauver; esquiver; )
    ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; de plaat poetsen; hem smeren
  9. filer (galoper; courir; faire de la course; sprinter; faire de la course à pied)
    galopperen
    • galopperen verbo (galoppeer, galoppeert, galoppeerde, galoppeerden, gegaloppeerd)
  10. filer (faire de la course à pied; courir; sprinter; faire de la course; galoper)
    hard rennen; pezen; sprinten; hollen; draven
    • hard rennen verbo
    • pezen verbo (pees, peest, peesde, peesden, gepeesd)
    • sprinten verbo (sprint, sprintte, sprintten, gesprint)
    • hollen verbo (hol, holt, holde, holden, gehold)
    • draven verbo (draaf, draaft, draafde, draafden, gedraafd)
  11. filer (ficher le camp)
  12. filer (presser; se rendre en toute hâte; se rendre en hâte; )
    opjagen
    • opjagen verbo (jaag op, jaagt op, jaagde op, jaagden op, opgejaagd)
  13. filer (brûler le pavé; courir; galoper; droper)
    rennen; racen; hollen
    • rennen verbo (ren, rent, rende, renden, gerend)
    • racen verbo (race, racet, racede, raceden, geraced)
    • hollen verbo (hol, holt, holde, holden, gehold)
  14. filer (se rendre en toute hâte; courir; se rendre en hâte; )
    spoeden; snellen
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
    • snellen verbo (snel, snelt, snelde, snelden, gesneld)
  15. filer (partir en courant; fuir; ficher le camp; )
    wegrennen; wegstuiven; weghollen; wegsnellen; wegdraven; weghaasten; wegspoeden; wegijlen
    • wegrennen verbo (ren weg, rent weg, rende weg, renden weg, weggerend)
    • wegstuiven verbo (stuif weg, stuift weg, stoof weg, stoven weg, weggestoven)
    • weghollen verbo (hol weg, holt weg, holde weg, holden weg, weggehold)
    • wegsnellen verbo
    • wegdraven verbo (draaf weg, draaft weg, draafde weg, draafden weg, weggedraafd)
    • weghaasten verbo (haast weg, haastte weg, haastten weg, weggehaast)
    • wegspoeden verbo (spoed weg, spoedt weg, spoedde weg, spoedden weg, weggespoed)
    • wegijlen verbo (ijl weg, ijlt weg, ijlde weg, ijlden weg, weggeijld)
  16. filer (partir en coup de vent; partir en courant; s'enfuir; détaler; s'en aller en courant)
    wegspoeden; wegsnellen; wegrennen; weghollen; wegijlen; weghaasten
    • wegspoeden verbo (spoed weg, spoedt weg, spoedde weg, spoedden weg, weggespoed)
    • wegsnellen verbo
    • wegrennen verbo (ren weg, rent weg, rende weg, renden weg, weggerend)
    • weghollen verbo (hol weg, holt weg, holde weg, holden weg, weggehold)
    • wegijlen verbo (ijl weg, ijlt weg, ijlde weg, ijlden weg, weggeijld)
    • weghaasten verbo (haast weg, haastte weg, haastten weg, weggehaast)
  17. filer (ficher le camp; se tirer; se barrer)
    'm smeren; 'm piepen
    • 'm smeren verbo (smeer 'm, smeert 'm, smeerde 'm, smeerden 'm, 'm gesmeerd)
    • 'm piepen verbo (piep 'm, piept 'm, piepte 'm, piepten 'm, 'm gepiept)

Conjugaciones de filer:

Présent
  1. file
  2. files
  3. file
  4. filons
  5. filez
  6. filent
imparfait
  1. filais
  2. filais
  3. filait
  4. filions
  5. filiez
  6. filaient
passé simple
  1. filai
  2. filas
  3. fila
  4. filâmes
  5. filâtes
  6. filèrent
futur simple
  1. filerai
  2. fileras
  3. filera
  4. filerons
  5. filerez
  6. fileront
subjonctif présent
  1. que je file
  2. que tu files
  3. qu'il file
  4. que nous filions
  5. que vous filiez
  6. qu'ils filent
conditionnel présent
  1. filerais
  2. filerais
  3. filerait
  4. filerions
  5. fileriez
  6. fileraient
passé composé
  1. ai filé
  2. as filé
  3. a filé
  4. avons filé
  5. avez filé
  6. ont filé
divers
  1. file!
  2. filez!
  3. filons!
  4. filé
  5. filant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "filer":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de filer



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios