Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de fixer de francés a neerlandés

fixer:

fixer verbo

  1. fixer (attacher; lier; mettre; ficeler; mettre à l'attache)
    vastleggen; bevestigen; vastmaken; verzekeren; verbinden; vastzetten; vastbinden
    • vastleggen verbo (leg vast, legt vast, legde vast, legden vast, vastgelegd)
    • bevestigen verbo (bevestig, bevestigt, bevestigde, bevestigden, bevestigd)
    • vastmaken verbo (maak vast, maakt vast, maakte vast, maakten vast, vastgemaakt)
    • verzekeren verbo (verzeker, verzekert, verzekerde, verzekerden, verzekerd)
    • verbinden verbo (verbind, verbindt, verbond, verbonden, verbonden)
    • vastzetten verbo (zet vast, zette vast, zetten vast, vastgezet)
    • vastbinden verbo (bind vast, bindt vast, bond vast, bonden vast, vastgebonden)
  2. fixer (attacher; assujettir; rattacher; caler)
    aanhechten; bevestigen; hechten
    • aanhechten verbo (hecht aan, hechtte aan, hechtten aan, aangehecht)
    • bevestigen verbo (bevestig, bevestigt, bevestigde, bevestigden, bevestigd)
    • hechten verbo (hecht, hechtte, hechtten, gehecht)
  3. fixer (attacher à qc; attacher; installer; )
    bevestigen; ergens aan bevestigen; vastzetten; vastmaken
  4. fixer (regarder; contempler)
    kijken; toeschouwen; schouwen
    • kijken verbo (kijk, kijkt, keek, keken, gekeken)
    • toeschouwen verbo (schouw toe, schouwt toe, schouwde toe, schouwden toe, toegeschouwd)
    • schouwen verbo (schouw, schouwt, schouwde, schouwden, geschouwd)
  5. fixer (observer; examiner; considérer; )
    gadeslaan; bekijken; toeschouwen; aankijken
    • gadeslaan verbo (sla gade, slaat gade, sloeg gade, sloegen gade, gade geslagen)
    • bekijken verbo (bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
    • toeschouwen verbo (schouw toe, schouwt toe, schouwde toe, schouwden toe, toegeschouwd)
    • aankijken verbo (kijk aan, kijkt aan, keek aan, keken aan, aangekeken)
  6. fixer (attacher; lier)
    vastmaken; aan elkaar bevestigen
    • vastmaken verbo (maak vast, maakt vast, maakte vast, maakten vast, vastgemaakt)
    • aan elkaar bevestigen verbo (bevestig aan elkaar, bevestigt aan elkaar, bevestigde aan elkaar, bevestigden aan elkaar, aan elkaar bevestigd)
  7. fixer (conseiller; suggérer; insinuer; )
    adviseren; suggereren; raden; ingeven; iets aanraden
    • adviseren verbo (adviseer, adviseert, adviseerde, adviseerden, geadviseerd)
    • suggereren verbo (suggereer, suggereert, suggereerde, suggereerden, gesuggereerd)
    • raden verbo (raad, raadt, ried, rieden, geraden)
    • ingeven verbo (geef in, geeft in, gaf in, gaven in, ingegeven)
  8. fixer (ligoter; nouer; lier; )
    binden; knevelen; vastbinden; strikken; vastmaken; knopen
    • binden verbo (bind, bindt, bond, bonden, gebonden)
    • knevelen verbo (knevel, knevelt, knevelde, knevelden, gekneveld)
    • vastbinden verbo (bind vast, bindt vast, bond vast, bonden vast, vastgebonden)
    • strikken verbo (strik, strikt, strikte, strikten, gestrikt)
    • vastmaken verbo (maak vast, maakt vast, maakte vast, maakten vast, vastgemaakt)
    • knopen verbo (knoop, knoopt, knoopte, knoopten, geknoopt)
  9. fixer (visser; serrer)
    door draaien vastmaken; aandraaien
  10. fixer (coller; attacher; engluer; rattacher; s'attacher)
    vasthechten; hechten; lijmen; vastplakken; vastlijmen; opplakken
    • vasthechten verbo (hecht vast, hechtte vast, hechtten vast, vastgehecht)
    • hechten verbo (hecht, hechtte, hechtten, gehecht)
    • lijmen verbo (lijm, lijmt, lijmde, lijmden, gelijmd)
    • vastplakken verbo (plak vast, plakt vast, plakte vast, plakten vast, vastgeplakt)
    • vastlijmen verbo (lijm vast, lijmt vast, lijmde vast, lijmden vast, vastgelijmd)
    • opplakken verbo (plak op, plakt op, plakte op, plakten op, opgeplakt)
  11. fixer (accrocher; connecter; embrayer; )
    aankoppelen; aanhaken; vastkoppelen; vasthaken
    • aankoppelen verbo (koppel aan, koppelt aan, koppelde aan, koppelden aan, aangekoppeld)
    • aanhaken verbo (haak aan, haakt aan, haakte aan, haakten aan, aangehaakt)
    • vastkoppelen verbo (koppel vast, koppelt vast, koppelde vast, koppelden vast, vastgekoppeld)
    • vasthaken verbo (haak vast, haakt vast, haakte vast, haakten vast, vastgehaakt)
  12. fixer (coucher; mettre; déposer; )
    neerleggen; onderuit halen
  13. fixer (enfermer; immobiliser)
    opsluiten; vastzetten
    • opsluiten verbo (sluit op, sloot op, sloten op, opgesloten)
    • vastzetten verbo (zet vast, zette vast, zetten vast, vastgezet)
  14. fixer (repeser; prévaloir; apprécier; )
    overwegen; afwegen; overdenken
    • overwegen verbo (overweeg, overweegt, overwoog, overwogen, overwogen)
    • afwegen verbo (weeg af, weegt af, woog af, wogen af, afgewogen)
    • overdenken verbo (overdenk, overdenkt, overdacht, overdachten, overdacht)
  15. fixer (aiguilleter; lier; attacher; nouer)
    vastbinden; vastsjorren
    • vastbinden verbo (bind vast, bindt vast, bond vast, bonden vast, vastgebonden)
    • vastsjorren verbo (sjor vast, sjort vast, sjorde vast, sjorden vast, vastgesjord)
  16. fixer (boucler; attacher)
    vastgespen; aangespen
    • vastgespen verbo (gesp vast, gespt vast, gespte vast, gespten vast, vastgegespt)
    • aangespen verbo (gesp aan, gespt aan, gespte aan, gespten aan, aangegespt)
  17. fixer (boucler; attacher)
    dichtsnoeren; toegespen; dichtgespen
    • dichtsnoeren verbo
    • toegespen verbo (gesp toe, gespt toe, gespte toe, gespten toe, toegegespt)
    • dichtgespen verbo (gesp dicht, gespt dicht, gespte dicht, gespten dicht, dichtgegespt)
  18. fixer (ficeler; lier; attacher; )
    dichtbinden; toebinden
    • dichtbinden verbo (bind dicht, bindt dicht, bond dicht, bonden dicht, dichtgebonden)
    • toebinden verbo (bind toe, bindt toe, bond toe, bonden toe, toegebonden)

Conjugaciones de fixer:

Présent
  1. fixe
  2. fixes
  3. fixe
  4. fixons
  5. fixez
  6. fixent
imparfait
  1. fixais
  2. fixais
  3. fixait
  4. fixions
  5. fixiez
  6. fixaient
passé simple
  1. fixai
  2. fixas
  3. fixa
  4. fixâmes
  5. fixâtes
  6. fixèrent
futur simple
  1. fixerai
  2. fixeras
  3. fixera
  4. fixerons
  5. fixerez
  6. fixeront
subjonctif présent
  1. que je fixe
  2. que tu fixes
  3. qu'il fixe
  4. que nous fixions
  5. que vous fixiez
  6. qu'ils fixent
conditionnel présent
  1. fixerais
  2. fixerais
  3. fixerait
  4. fixerions
  5. fixeriez
  6. fixeraient
passé composé
  1. ai fixé
  2. as fixé
  3. a fixé
  4. avons fixé
  5. avez fixé
  6. ont fixé
divers
  1. fixe!
  2. fixez!
  3. fixons!
  4. fixé
  5. fixant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

fixer [la ~] sustantivo

  1. la fixer (ajuster)
    vastmaken; de bevestiging

Sinónimos de "fixer":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de fixer



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios