Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de garnir de francés a neerlandés

garnir:

garnir verbo

  1. garnir (garnir des plats)
    versieren; afwerken; garneren; schotels garneren; opmaken; opsmukken
    • versieren verbo (versier, versiert, versierde, versierden, versierd)
    • afwerken verbo (werk af, werkt af, werkte af, werkten af, afgewerkt)
    • garneren verbo (garneer, garneert, garneerde, garneerden, gegarneerd)
    • opmaken verbo (maak op, maakt op, maakte op, maakten op, opgemaakt)
    • opsmukken verbo (smuk op, smukt op, smukte op, smukten op, opgesmukt)
  2. garnir (maquiller; embellir; mettre en page; )
    opsmukken; opmaken; make-up aanbrengen; optutten
    • opsmukken verbo (smuk op, smukt op, smukte op, smukten op, opgesmukt)
    • opmaken verbo (maak op, maakt op, maakte op, maakten op, opgemaakt)
    • optutten verbo (tut op, tutte op, tutten op, opgetut)
  3. garnir (parer; embellir; rafraîchir; )
    verfraaien; opsmukken; zich mooi maken; verluchten; optuigen; opsieren; opschikken; tooien
    • verfraaien verbo (verfraai, verfraait, verfraaide, verfraaiden, verfraaid)
    • opsmukken verbo (smuk op, smukt op, smukte op, smukten op, opgesmukt)
    • verluchten verbo (verlucht, verluchtte, verluchtten, verlucht)
    • optuigen verbo (tuig op, tuigt op, tuigde op, tuigden op, opgetuigd)
    • opsieren verbo (sier op, siert op, sierde op, sierden op, opgesierd)
    • opschikken verbo (schik op, schikt op, schikte op, schikten op, opgeschikt)
    • tooien verbo (tooi, tooit, tooide, tooiden, getooid)
  4. garnir (tapisser; revêtir; recouvrir; couvrir; décorer)
    bekleden; van bekleding voorzien; overtrekken; stofferen
    • bekleden verbo (bekleed, bekleedt, bekleedde, bekleedden, bekleed)
    • overtrekken verbo (overtrek, overtrekt, overtrok, overtrokken, overtrokken)
    • stofferen verbo (stoffeer, stoffeert, stoffeerde, stoffeerden, gestoffeeerd)

Conjugaciones de garnir:

Présent
  1. garnis
  2. garnis
  3. garnit
  4. garnissons
  5. garnissez
  6. garnissent
imparfait
  1. garnissais
  2. garnissais
  3. garnissait
  4. garnissions
  5. garnissiez
  6. garnissaient
passé simple
  1. garnis
  2. garnis
  3. garnit
  4. garnîmes
  5. garnîtes
  6. garnirent
futur simple
  1. garnirai
  2. garniras
  3. garnira
  4. garnirons
  5. garnirez
  6. garniront
subjonctif présent
  1. que je garnisse
  2. que tu garnisses
  3. qu'il garnisse
  4. que nous garnissions
  5. que vous garnissiez
  6. qu'ils garnissent
conditionnel présent
  1. garnirais
  2. garnirais
  3. garnirait
  4. garnirions
  5. garniriez
  6. garniraient
passé composé
  1. ai garni
  2. as garni
  3. a garni
  4. avons garni
  5. avez garni
  6. ont garni
divers
  1. garnis!
  2. garnissez!
  3. garnissons!
  4. garni
  5. garnissant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "garnir":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de garnir



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios