Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de gonfler de francés a neerlandés

gonfler:

gonfler verbo

  1. gonfler (étendre; élargir; développer; )
    uitbreiden; expanderen; verruimen; vermeerderen; verwijden; uitbouwen; verbreiden; uitdijen; openen
    • uitbreiden verbo (breid uit, breidt uit, breidde uit, breidden uit, uitgebreid)
    • expanderen verbo
    • verruimen verbo (verruim, verruimt, verruimde, verruimden, verruimd)
    • vermeerderen verbo (vermeerder, vermeerdert, vermeerderde, vermeerderden, vermeerd)
    • verwijden verbo (verwijd, verwijdt, verwijdde, verwijdden, verwijd)
    • uitbouwen verbo (bouw uit, bouwt uit, bouwde uit, bouwden uit, uit gebouwd)
    • verbreiden verbo (verbreid, verbreidt, verbreidde, verbreidden, verbreid)
    • uitdijen verbo (dij uit, dijt uit, dijde uit, dijden uit, uitgedijd)
    • openen verbo (open, opent, opende, openden, geopend)
  2. gonfler (exploser; se ballonner; bomber; )
    opblazen; laten exploderen
  3. gonfler (farcir; remplir; bourrer; charger)
    vullen; farceren; opvullen
    • vullen verbo (vul, vult, vulde, vulden, gevuld)
    • farceren verbo
    • opvullen verbo (vul op, vult op, vulde op, vulden op, opgevuld)
  4. gonfler (grossir; enfler; se gonfler; )
    opzwellen; zwellen
    • opzwellen verbo (zwel op, zwelt op, zwol op, zwollen op, opgezwollen)
    • zwellen verbo (zwel, zwelt, zwol, zwollen, gezwollen)
  5. gonfler (grossir; se dilater; s'amplifier; )
    opzwellen; uitdijen; dik worden
    • opzwellen verbo (zwel op, zwelt op, zwol op, zwollen op, opgezwollen)
    • uitdijen verbo (dij uit, dijt uit, dijde uit, dijden uit, uitgedijd)
    • dik worden verbo (word dik, wordt dik, werd dik, werden dik, dik geworden)
  6. gonfler (enfler; étendre; étaler; )
    uitdijen; uitzwellen
  7. gonfler (faire monter beaucoup; augmenter; pousser; hausser; majorer)
    opschroeven; veel doen stijgen; opdrijven
  8. gonfler (faire enfler)

Conjugaciones de gonfler:

Présent
  1. gonfle
  2. gonfles
  3. gonfle
  4. gonflons
  5. gonflez
  6. gonflent
imparfait
  1. gonflais
  2. gonflais
  3. gonflait
  4. gonflions
  5. gonfliez
  6. gonflaient
passé simple
  1. gonflai
  2. gonflas
  3. gonfla
  4. gonflâmes
  5. gonflâtes
  6. gonflèrent
futur simple
  1. gonflerai
  2. gonfleras
  3. gonflera
  4. gonflerons
  5. gonflerez
  6. gonfleront
subjonctif présent
  1. que je gonfle
  2. que tu gonfles
  3. qu'il gonfle
  4. que nous gonflions
  5. que vous gonfliez
  6. qu'ils gonflent
conditionnel présent
  1. gonflerais
  2. gonflerais
  3. gonflerait
  4. gonflerions
  5. gonfleriez
  6. gonfleraient
passé composé
  1. ai gonflé
  2. as gonflé
  3. a gonflé
  4. avons gonflé
  5. avez gonflé
  6. ont gonflé
divers
  1. gonfle!
  2. gonflez!
  3. gonflons!
  4. gonflé
  5. gonflant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "gonfler":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de gonfler



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios