Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de interrompre de francés a neerlandés

interrompre:

interrompre verbo

  1. interrompre (faire arrêter; obstruer; bloquer)
    onderbreken; doen ophouden; afbreken
    • onderbreken verbo (onderbreek, onderbreekt, onderbrak, onderbraken, onderbroken)
    • afbreken verbo (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)
  2. interrompre (troubler; déranger; perturber; )
    verstoren; vertoornen
    • verstoren verbo (verstoor, verstoort, verstoorde, verstoorden, verstoord)
    • vertoornen verbo (vertoorn, vertoornt, vertoornde, vertoornden, vertoornd)
  3. interrompre (rompre; déroger; briser; transgresser)
    beëindigen; afbreken; ontbinden; opheffen; verbreken; stukmaken; verbrijzelen; forceren
    • beëindigen verbo (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afbreken verbo (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)
    • ontbinden verbo (ontbind, ontbindt, ontbond, ontbonden, ontbonden)
    • opheffen verbo (hef op, heft op, hief op, hieven op, opgeheven)
    • verbreken verbo (verbreek, verbreekt, verbrak, verbraken, verbroken)
    • stukmaken verbo (maak stuk, maakt stuk, maakte stuk, maakten stuk, stukgemaakt)
    • verbrijzelen verbo (verbrijzel, verbrijzelt, verbrijzelde, verbrijzelden, verbrijzeld)
    • forceren verbo (forceer, forceert, forceerde, forceerden, geforceerd)
  4. interrompre (cesser; finir; arrêter; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen verbo (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten verbo (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen verbo (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden verbo (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen verbo (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan verbo (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  5. interrompre (intervenir; s'interposer; s'entremettre)
    onderbreken; interrumperen; in de rede vallen
    • onderbreken verbo (onderbreek, onderbreekt, onderbrak, onderbraken, onderbroken)
    • interrumperen verbo (interrumpeer, interrumpeert, interrumpeerde, interrumpeerden, geïnterrumpeerd)
    • in de rede vallen verbo (val in de rede, valt in de rede, viel in de rede, vielen in de rede, in de rede gevallen)

Conjugaciones de interrompre:

Présent
  1. interromps
  2. interromps
  3. interrompt
  4. interrompons
  5. interrompez
  6. interrompent
imparfait
  1. interrompais
  2. interrompais
  3. interrompait
  4. interrompions
  5. interrompiez
  6. interrompaient
passé simple
  1. interrompis
  2. interrompis
  3. interrompit
  4. interrompîmes
  5. interrompîtes
  6. interrompirent
futur simple
  1. interromprai
  2. interrompras
  3. interrompra
  4. interromprons
  5. interromprez
  6. interrompront
subjonctif présent
  1. que j'interrompe
  2. que tu interrompes
  3. qu'il interrompe
  4. que nous interrompions
  5. que vous interrompiez
  6. qu'ils interrompent
conditionnel présent
  1. interromprais
  2. interromprais
  3. interromprait
  4. interromprions
  5. interrompriez
  6. interrompraient
passé composé
  1. ai interrompu
  2. as interrompu
  3. a interrompu
  4. avons interrompu
  5. avez interrompu
  6. ont interrompu
divers
  1. interromps!
  2. interrompez!
  3. interrompons!
  4. interrompu
  5. interrompant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

interrompre

  1. interrompre
    onderbreken
    • onderbreken verbo (onderbreek, onderbreekt, onderbrak, onderbraken, onderbroken)

Sinónimos de "interrompre":


Traducciones automáticas externas:
Images:


Eliminar anuncios

Eliminar anuncios