Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de marque de francés a neerlandés

marque:

marque [la ~] sustantivo

  1. la marque (dénomination commerciale; marque de fabrique de commerce; marque déposée)
    het handelsmerk; het merk; de label
  2. la marque (marque déposée)
    het merk; de merknaam
  3. la marque (logo)
    het logo
    • logo [het ~] sustantivo
  4. la marque (marque de fabrique; label; dénomination commerciale; )
    het handelsmerk; de handelsnaam; het warenmerk
  5. la marque (signe distinctif; signe d'identification)
    de eigenschap; het kenmerk; het merkteken; het merk
  6. la marque (cachet de cire; estampe; cachet; )
    de stempel; de zegel; inktstempel
  7. la marque
    het beeldmerk
  8. la marque (signe de ralliement; signe; signe d'identification)
    het herkenningsteken
  9. la marque (signal; signe; indice; avertissement; geste)
    het teken; het signaal
  10. la marque (caractérisation; caractéristique; particularité; )
    het kenmerk; de eigenschap; de karakterisering; de karakteristiek; de typering
  11. la marque (trait de caractère; caractéristique; trait; )
    de karakteristiek; de eigenschap; het kenmerk; het stigma; de karaktertrek
  12. la marque (signe de ralliement; signe distinctif; signe; )
    het kenteken; de nummerplaat
  13. la marque (signe; preuve; témoignage)
    het bewijs; het teken; het blijk
  14. la marque (geste; signe; indice; avertissement; signal)
    het gebaar; de geste
  15. la marque (signe; signe distinctif; symptôme; signe d'identification)
    het kenmerk; het kenteken; het etiket; iemand kenmerken
  16. la marque (décoration; distinction; ornement; )
    de onderscheiding; de ridderorde; het ereteken; de decoratie; het onderscheidingsteken
  17. la marque (signe d'identification)
    brandteken

marque [le ~] sustantivo

  1. le marque (meurtrissure)
    de striem
  2. le marque
    het merk
    • merk [het ~] sustantivo

Sinónimos de "marque":


marquer:

marquer verbo

  1. marquer (stigmatiser; brûler; torréfier; )
    branden; markeren; brandmerken; inbranden; van stigma's voorzien
    • branden verbo (brand, brandt, brandde, brandden, gebrand)
    • markeren verbo (markeer, markeert, markeerde, markeerden, gemarkeerd)
    • brandmerken verbo (brandmerk, brandmerkt, brandmerkte, brandmerkten, gebrandmerkt)
    • inbranden verbo (brand in, brandt in, brandde in, brandden in, ingebrand)
    • van stigma's voorzien verbo (voorzie van stigma's, voorziet van stigma's, voorzag van stigma's, voorzagen van stigma's, van stigma's voorzien)
  2. marquer (marquer d'une croix)
    aankruisen; merken
    • aankruisen verbo (kruis aan, kruist aan, kruiste aan, kruisten aan, aangekruist)
    • merken verbo (merk, merkt, merkte, merkten, gemerkt)
  3. marquer (barrer; entourer; tracer; )
    begrenzen; afbakenen; afzetten; omlijnen; afpalen
    • begrenzen verbo (begrens, begrenst, begrenste, begrensten, begrenst)
    • afbakenen verbo (baken af, bakent af, bakende af, bakenden af, afgebakend)
    • afzetten verbo (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • omlijnen verbo (omlijn, omlijnt, omlijnde, omlijnden, omlijnd)
    • afpalen verbo (paal af, paalt af, paalde af, paalden af, afgepaald)
  4. marquer (cocher; marquer d'un trait; marquer d'un point)
    vinken; aanstrepen; afvinken
  5. marquer (cocher; marquer d'un trait; marquer d'un point)
    aanstippen; aantippen; tippen
    • aanstippen verbo (stip aan, stipt aan, stipte aan, stipten aan, aangestipt)
    • aantippen verbo
    • tippen verbo (tip, tipt, tipte, tipten, getipt)
  6. marquer (timbrer; estampiller)
    keurmerken
    • keurmerken verbo (keurmerk, keurmerkt, keurmerkte, keurmerkten, gekeurmerkt)
  7. marquer (contraster)
    contrasteren; aftekenen
  8. marquer (attacher à qc; attacher; fixer; )
    bevestigen; ergens aan bevestigen; vastzetten; vastmaken
  9. marquer (caractériser; déterminer; typer; )
    karakteriseren; kenmerken; kenschetsen; typeren
    • karakteriseren verbo (karakteriseer, karakteriseert, karakteriseerde, karakteriseerden, gekarakteriseerd)
    • kenmerken verbo (kenmerk, kenmerkt, kenmerkte, kenmerkten, gekenmerkt)
    • kenschetsen verbo (kenschets, kenschetst, kenschetste, kenschetsten, gekenschetst)
    • typeren verbo (typeer, typeert, typeerde, typeerden, getypeerd)
  10. marquer (mettre sa marque sur; laisser une forte empreinte sur; estamper)
    stempel drukken op
    • stempel drukken op verbo (druk stempel op, drukt stempel op, drukte stempel op, drukten stempel op, stempel opgedrukt)
  11. marquer
    markeren
    • markeren verbo (markeer, markeert, markeerde, markeerden, gemarkeerd)
  12. marquer
    taggen

Conjugaciones de marquer:

Présent
  1. marque
  2. marques
  3. marque
  4. marquons
  5. marquez
  6. marquent
imparfait
  1. marquais
  2. marquais
  3. marquait
  4. marquions
  5. marquiez
  6. marquaient
passé simple
  1. marquai
  2. marquas
  3. marqua
  4. marquâmes
  5. marquâtes
  6. marquèrent
futur simple
  1. marquerai
  2. marqueras
  3. marquera
  4. marquerons
  5. marquerez
  6. marqueront
subjonctif présent
  1. que je marque
  2. que tu marques
  3. qu'il marque
  4. que nous marquions
  5. que vous marquiez
  6. qu'ils marquent
conditionnel présent
  1. marquerais
  2. marquerais
  3. marquerait
  4. marquerions
  5. marqueriez
  6. marqueraient
passé composé
  1. ai marqué
  2. as marqué
  3. a marqué
  4. avons marqué
  5. avez marqué
  6. ont marqué
divers
  1. marque!
  2. marquez!
  3. marquons!
  4. marqué
  5. marquant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

marquer [le ~] sustantivo

  1. le marquer
    aanstrepen

Sinónimos de "marquer":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de marque



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios