Traducciones detalladas de mourir de francés a neerlandés
mourir:
-
overlijden;
sterven;
vallen;
doodgaan;
bezwijken;
omkomen;
sneuvelen;
heengaan;
wegvallen;
inslapen
-
overlijden
verbo
(overlijd, overlijdt, overleed, overleden, overleden)
-
sterven
verbo
(sterf, sterft, stierf, stierven, getorven)
-
vallen
verbo
(val, valt, viel, vielen, gevallen)
-
doodgaan
verbo
(ga dood, gaat dood, ging dood, gingen dood, doodgegaan)
-
bezwijken
verbo
(bezwijk, bezwijkt, bezweek, bezweken, bezweken)
-
omkomen
verbo
(kom om, komt om, kwam om, kwamen om, omgekomen)
-
sneuvelen
verbo
(sneuvel, sneuvelt, sneuvelde, sneuvelden, gesneuveld)
-
heengaan
verbo
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
wegvallen
verbo
(val weg, valt weg, viel weg, vielen weg, weggevallen)
-
inslapen
verbo
(slaap in, slaapt in, sliep in, sliepen in, ingeslapen)
-
overlijden;
sterven;
doodgaan;
kapotgaan;
omkomen
-
overlijden
verbo
(overlijd, overlijdt, overleed, overleden, overleden)
-
sterven
verbo
(sterf, sterft, stierf, stierven, getorven)
-
doodgaan
verbo
(ga dood, gaat dood, ging dood, gingen dood, doodgegaan)
-
kapotgaan
verbo
(ga kapot, gaat kapot, ging kapot, gingen kapot, kapot gegaan)
-
omkomen
verbo
(kom om, komt om, kwam om, kwamen om, omgekomen)
-
overlijden;
sterven;
doodgaan;
heengaan;
inslapen;
ontslapen;
verscheiden
-
overlijden
verbo
(overlijd, overlijdt, overleed, overleden, overleden)
-
sterven
verbo
(sterf, sterft, stierf, stierven, getorven)
-
doodgaan
verbo
(ga dood, gaat dood, ging dood, gingen dood, doodgegaan)
-
heengaan
verbo
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
inslapen
verbo
(slaap in, slaapt in, sliep in, sliepen in, ingeslapen)
-
ontslapen
verbo
(ontslaap, ontslaapt, ontsliep, ontsliepen, ontslapen)
-
verscheiden
verbo
(verscheid, verscheidt, verscheidde, verscheidden, verscheiden)
-
-
-
sterven;
ophouden;
uitsterven;
afsterven
-
sterven
verbo
(sterf, sterft, stierf, stierven, getorven)
-
ophouden
verbo
(houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
-
uitsterven
verbo
(sterf uit, sterft uit, stierf uit, stierven uit, uitgestorven)
-
afsterven
verbo
(sterf af, sterft af, stierf af, stierven af, afgestorven)
-
Conjugaciones de mourir:
Présent
- meurs
- meurs
- meurt
- mourons
- mourez
- meurent
imparfait
- mourais
- mourais
- mourait
- mourions
- mouriez
- mouraient
passé simple
- mourus
- mourus
- mourut
- mourûmes
- mourûtes
- moururent
futur simple
- mourrai
- mourras
- mourra
- mourrons
- mourrez
- mourront
subjonctif présent
- que je meure
- que tu meures
- qu'il meure
- que nous mourions
- que vous mouriez
- qu'ils meurent
conditionnel présent
- mourrais
- mourrais
- mourrait
- mourrions
- mourriez
- mourraient
passé composé
- suis mort
- es mort
- est mort
- sommes morts
- êtes morts
- sont morts
divers
- meurs!
- mourez!
- mourons!
- mort
- mourant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles
Sinónimos de "mourir":
Traducciones automáticas externas:
Images:
Traducciones relacionadas de mourir