Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de périr de francés a neerlandés

périr:

périr verbo

  1. périr (mourir; décéder; crever; )
    overlijden; sterven; vallen; doodgaan; bezwijken; omkomen; sneuvelen; heengaan; wegvallen; inslapen
    • overlijden verbo (overlijd, overlijdt, overleed, overleden, overleden)
    • sterven verbo (sterf, sterft, stierf, stierven, getorven)
    • vallen verbo (val, valt, viel, vielen, gevallen)
    • doodgaan verbo (ga dood, gaat dood, ging dood, gingen dood, doodgegaan)
    • bezwijken verbo (bezwijk, bezwijkt, bezweek, bezweken, bezweken)
    • omkomen verbo (kom om, komt om, kwam om, kwamen om, omgekomen)
    • sneuvelen verbo (sneuvel, sneuvelt, sneuvelde, sneuvelden, gesneuveld)
    • heengaan verbo (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • wegvallen verbo (val weg, valt weg, viel weg, vielen weg, weggevallen)
    • inslapen verbo (slaap in, slaapt in, sliep in, sliepen in, ingeslapen)
  2. périr (chuter; faillir; échouer; )
    falen; verkeerd lopen; mislukken; misgaan; in de puree lopen; floppen; afgaan; mislopen; stranden
    • falen verbo (faal, faalt, faalde, faalden, gefaald)
    • verkeerd lopen verbo (loop verkeerd, loopt verkeerd, liep verkeerd, liepen verkeerd, verkeerd gelopen)
    • mislukken verbo (misluk, mislukt, mislukte, mislukten, mislukt)
    • misgaan verbo (ga mis, gaat mis, ging mis, gingen mis, mis gegaan)
    • floppen verbo (flop, flopt, flopte, flopten, geflopt)
    • afgaan verbo (ga af, gaat af, ging af, gingen af, afgegaan)
    • mislopen verbo (loop mis, loopt mis, liep mis, liepen mis, misgelopen)
    • stranden verbo (strand, strandt, strandde, strandden, gestrand)
  3. périr (pourrir; sombrer)
    achteruitgaan; teruggaan; instorten; verteren; bezwijken; verrotten; wegrotten; tenondergaan; vergaan; zinken
    • achteruitgaan verbo (ga achteruit, gaat achteruit, ging achteruit, gingen achteruit, achteruitgegaan)
    • teruggaan verbo (ga terug, gaat terug, ging terug, gingen terug, teruggegaan)
    • instorten verbo (stort in, stortte in, stortten in, ingestort)
    • verteren verbo (verteer, verteert, verteerde, verteerden, verteerd)
    • bezwijken verbo (bezwijk, bezwijkt, bezweek, bezweken, bezweken)
    • verrotten verbo (verrot, verrotte, verrotten, verrot)
    • wegrotten verbo (rot weg, rotte weg, rotten weg, weggerot)
    • tenondergaan verbo (ga tenonder, gaat tenonder, ging tenonder, gingen tenonder, tenondergegaan)
    • vergaan verbo (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • zinken verbo (zink, zinkt, zonk, zonken, gezonken)
  4. périr (se putréfier; décomposer; pourrir; )
    ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; wegrotten; verteren
    • ontbinden verbo (ontbind, ontbindt, ontbond, ontbonden, ontbonden)
    • rotten verbo (rot, rotte, rotten, gerot)
    • vergaan verbo (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • verrotten verbo (verrot, verrotte, verrotten, verrot)
    • wegrotten verbo (rot weg, rotte weg, rotten weg, weggerot)
    • verteren verbo (verteer, verteert, verteerde, verteerden, verteerd)
  5. périr (sombrer; être tué; mourir)
    ondergaan; ten ondergaan; te gronde gaan
    • ondergaan verbo (onderga, ondergaat, onderging, ondergingen, ondergaan)
    • te gronde gaan verbo (ga te gronde, gaat te gronde, gat te gronde, ging te gronde, gingen te gronde, te gronde gegaan)

Conjugaciones de périr:

Présent
  1. péris
  2. péris
  3. périt
  4. périssons
  5. périssez
  6. périssent
imparfait
  1. périssais
  2. périssais
  3. périssait
  4. périssions
  5. périssiez
  6. périssaient
passé simple
  1. péris
  2. péris
  3. périt
  4. pérîmes
  5. pérîtes
  6. périrent
futur simple
  1. périrai
  2. périras
  3. périra
  4. périrons
  5. périrez
  6. périront
subjonctif présent
  1. que je périsse
  2. que tu périsses
  3. qu'il périsse
  4. que nous périssions
  5. que vous périssiez
  6. qu'ils périssent
conditionnel présent
  1. périrais
  2. périrais
  3. périrait
  4. péririons
  5. péririez
  6. périraient
passé composé
  1. ai péri
  2. as péri
  3. a péri
  4. avons péri
  5. avez péri
  6. ont péri
divers
  1. péris!
  2. périssez!
  3. périssons!
  4. péri
  5. périssant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "périr":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de périr



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios