Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de part de francés a neerlandés

part:

part [la ~] sustantivo

  1. la part (ingrédient de base; partie; composant; )
    het onderdeel; de component; het deel; het bestanddeel; het ingrediënt; het basisbestanddeel; het stuk; de element; de fractie
  2. la part (partie; participation; morceau; )
    het aandeel; het deel; de part
    • aandeel [het ~] sustantivo
    • deel [het ~] sustantivo
    • part [de ~] sustantivo
  3. la part (apport; participation; quote-part; dépôt)
    de bijdrage; het aandeel; de inbreng
  4. la part (parcelle; particule; bout; )
    de deeltje; het onderdeeltje
  5. la part (portion; bloc)
    het aandeel; de part; de portie
  6. la part (dose; portion)
    de dosis; de portie
    • dosis [de ~ (v)] sustantivo
    • portie [de ~ (v)] sustantivo
  7. la part (ration de réserve; portion; bloc)
    het rantsoen; het noodrantsoen
  8. la part (segment; morceau; partie)
    het segment

Sinónimos de "part":


part forma de partir:

partir verbo

  1. partir (s'en aller; abandonner; quitter; )
    gaan; vertrekken; weggaan; heengaan; opstappen; opbreken
    • gaan verbo (ga, gaat, ging, gingen, gegaan)
    • vertrekken verbo (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • weggaan verbo (ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
    • heengaan verbo (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • opstappen verbo (stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
    • opbreken verbo (breek op, breekt op, brak op, braken op, opgebroken)
  2. partir (sortir; abandonner; quitter; )
    vertrekken; verlaten; heengaan
    • vertrekken verbo (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • verlaten verbo (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
    • heengaan verbo (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
  3. partir (se rendre à; aller)
    gaan; zich begeven
  4. partir (quitter; s'envoler; s'en aller)
    vertrekken; weggaan; verwijderen; wegtrekken; smeren; afreizen; opstappen; wegreizen
    • vertrekken verbo (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • weggaan verbo (ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
    • verwijderen verbo (verwijder, verwijdert, verwijderde, verwijderden, verwijderd)
    • wegtrekken verbo (trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
    • smeren verbo (smeer, smeert, smeerde, smeerden, gesmeerd)
    • afreizen verbo (reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
    • opstappen verbo (stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
    • wegreizen verbo (reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
  5. partir (prendre la mer; décamper; faire bagage; contraster; s'en aller)
    afvaren; afsteken; wegvaren
    • afvaren verbo (vaar af, vaart af, voer af, voeren af, afgevaren)
    • afsteken verbo (steek af, steekt af, stak af, staken af, afgestoken)
    • wegvaren verbo (vaar weg, vaart weg, voer weg, voeren weg, weggevaren)
  6. partir (commencer; commencer à; démarrer; )
    starten; beginnen; aanvangen; van start gaan
    • starten verbo (start, startte, startten, gestart)
    • beginnen verbo (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • aanvangen verbo (vang aan, vangt aan, ving aan, vingen aan, aangevangen)
  7. partir (mourir; décéder; crever; )
    overlijden; sterven; vallen; doodgaan; bezwijken; omkomen; sneuvelen; heengaan; wegvallen; inslapen
    • overlijden verbo (overlijd, overlijdt, overleed, overleden, overleden)
    • sterven verbo (sterf, sterft, stierf, stierven, getorven)
    • vallen verbo (val, valt, viel, vielen, gevallen)
    • doodgaan verbo (ga dood, gaat dood, ging dood, gingen dood, doodgegaan)
    • bezwijken verbo (bezwijk, bezwijkt, bezweek, bezweken, bezweken)
    • omkomen verbo (kom om, komt om, kwam om, kwamen om, omgekomen)
    • sneuvelen verbo (sneuvel, sneuvelt, sneuvelde, sneuvelden, gesneuveld)
    • heengaan verbo (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • wegvallen verbo (val weg, valt weg, viel weg, vielen weg, weggevallen)
    • inslapen verbo (slaap in, slaapt in, sliep in, sliepen in, ingeslapen)
  8. partir (prendre la mer; quitter; quitter le port; )
    verlaten; afreizen; wegtrekken; heengaan; verdwijnen; wegreizen
    • verlaten verbo (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
    • afreizen verbo (reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
    • wegtrekken verbo (trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
    • heengaan verbo (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • verdwijnen verbo (verdwijn, verdwijnt, verdween, verdwenen, verdwenen)
    • wegreizen verbo (reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
  9. partir (s'en aller)
    weglopen; lopend weggaan
  10. partir (débuter; ouvrir; commencer; )
    beginnen; aanbreken; een begin nemen
  11. partir (abdiquer; se retirer; démissionner; )
    terugtrekken; aftreden; uittreden
    • terugtrekken verbo (trek terug, trekt terug, trok terug, trokken terug, teruggetrokken)
    • aftreden verbo (treed af, treedt af, trad af, traden af, afgetreden)
    • uittreden verbo (treed uit, treedt uit, trad uit, traden uit, uitgetreden)
  12. partir (mettre à la voile)
    uitzeilen
    • uitzeilen verbo (zeil uit, zeilt uit, zeilde uit, zeilden uit, uitgezeild)

Conjugaciones de partir:

Présent
  1. pars
  2. pars
  3. part
  4. partons
  5. partez
  6. partent
imparfait
  1. partais
  2. partais
  3. partait
  4. partions
  5. partiez
  6. partaient
passé simple
  1. partis
  2. partis
  3. partit
  4. partîmes
  5. partîtes
  6. partirent
futur simple
  1. partirai
  2. partiras
  3. partira
  4. partirons
  5. partirez
  6. partiront
subjonctif présent
  1. que je parte
  2. que tu partes
  3. qu'il parte
  4. que nous partions
  5. que vous partiez
  6. qu'ils partent
conditionnel présent
  1. partirais
  2. partirais
  3. partirait
  4. partirions
  5. partiriez
  6. partiraient
passé composé
  1. suis parti
  2. es parti
  3. est parti
  4. sommes partis
  5. êtes partis
  6. sont partis
divers
  1. pars!
  2. partez!
  3. partons!
  4. parti
  5. partant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "partir":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de part



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios