Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de présenter de francés a neerlandés

présenter:

présenter verbo

  1. présenter (montrer; faire voir; exposer; offrir)
    presenteren; laten zien; tonen; vertonen
    • presenteren verbo (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
    • laten zien verbo (laat zien, liet zien, lieten zien, laten zien)
    • tonen verbo (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • vertonen verbo (vertoon, vertoont, vertoonde, vertoonden, vertoond)
  2. présenter (offrir; proposer)
    aanbieden; indienen
    • aanbieden verbo (bied aan, biedt aan, bood aan, boden aan, aangeboden)
    • indienen verbo (dien in, dient in, diende in, dienden in, ingediend)
  3. présenter (montrer; exposer; faire voir; proposer)
    tonen; voorleggen; presenteren; laten zien; offreren; aanbieden
    • tonen verbo (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • voorleggen verbo (leg voor, legt voor, legde voor, legden voor, voorgelegd)
    • presenteren verbo (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
    • laten zien verbo (laat zien, liet zien, lieten zien, laten zien)
    • offreren verbo (offreer, offreert, offreerde, offreerden, geoffreerd)
    • aanbieden verbo (bied aan, biedt aan, bood aan, boden aan, aangeboden)
  4. présenter (tendre quelque chose à quelqu'un; donner; rendre; )
    geven; overgeven; overhandigen; aanreiken; aangeven; afgeven; toesteken
    • geven verbo (geef, geeft, gaf, gaven, gegeven)
    • overgeven verbo (geef over, geeft over, gaf over, gaven over, overgegeven)
    • overhandigen verbo (overhandig, overhandigt, overhandigde, overhandigden, overhandigd)
    • aanreiken verbo (reik aan, reikt aan, reikte aan, reikten aan, aangereikt)
    • aangeven verbo (geef aan, geeft aan, gaf aan, gaven aan, aangegeven)
    • afgeven verbo (geef af, geeft af, gaf af, gaven af, afgegeven)
    • toesteken verbo (steek toe, steekt toe, stak toe, staken toe, toegestoken)
  5. présenter (exposer; montrer; faire étalage de; )
    tonen; vertonen; tentoonstellen; exposeren
    • tonen verbo (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • vertonen verbo (vertoon, vertoont, vertoonde, vertoonden, vertoond)
    • tentoonstellen verbo (stel tentoon, stelt tentoon, stelde tentoon, stelden tentoon, tentoongesteld)
    • exposeren verbo (exposeer, exposeert, exposeerde, exposeerden, geëxposeerd)
  6. présenter (formuler; exprimer; phraser)
    formuleren; in een formule brengen
  7. présenter (offrir; faire une offre de)
    bieden
    • bieden verbo (bied, biedt, bood, boden, geboden)
  8. présenter (faire inscrire; inscrire; souscrire; inscrire pour; s'inscrire)
    aanmelden; subscriberen; opgeven; inschrijven; intekenen
    • aanmelden verbo (meld aan, meldt aan, meldde aan, meldden aan, aangemeld)
    • subscriberen verbo (subscribeer, subscribeert, subscribeerde, subscribeerden, gesubscribeerd)
    • opgeven verbo (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • inschrijven verbo (schrijf in, schrijft in, schreef in, schreven in, ingeschreven)
    • intekenen verbo (teken in, tekent in, tekende in, tekenden in, ingetekend)
  9. présenter (recommander; conseiller; nommer; )
    aanbevelen; voordragen; aanraden; iemand recommanderen; nomineren
    • aanbevelen verbo (beveel aan, beveelt aan, beval aan, bevolen aan, aanbevolen)
    • voordragen verbo (draag voor, draagt voor, droeg voor, droegen voor, voorgedragen)
    • aanraden verbo (raad aan, raadt aan, ried aan, rieden aan, aangeraden)
    • nomineren verbo (nomineer, nomineert, nomineerde, nomineerden, genomineerd)
  10. présenter (offrir; proposer; donner; promettre; faire une offre de)
    aanbieden; offreren; presenteren
    • aanbieden verbo (bied aan, biedt aan, bood aan, boden aan, aangeboden)
    • offreren verbo (offreer, offreert, offreerde, offreerden, geoffreerd)
    • presenteren verbo (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
  11. présenter (s'identifier à; envisager; se mettre dans la peau de; )
    inleven; voelen; meeleven; invoelen
    • inleven verbo (leef in, leeft in, leefde in, leefden in, ingeleefd)
    • voelen verbo (voel, voelt, voelde, voelden, gevoeld)
    • meeleven verbo (leef mee, leeft mee, leefde mee, leefden mee, meegeleefd)
    • invoelen verbo (voel in, voelt in, voelde in, voelden in, ingevoeld)
  12. présenter (exposer; montrer; révéler; )
    vertonen; tonen; exposeren; tentoonstellen; voor ogen brengen
    • vertonen verbo (vertoon, vertoont, vertoonde, vertoonden, vertoond)
    • tonen verbo (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • exposeren verbo (exposeer, exposeert, exposeerde, exposeerden, geëxposeerd)
    • tentoonstellen verbo (stel tentoon, stelt tentoon, stelde tentoon, stelden tentoon, tentoongesteld)
  13. présenter (servir à table; servir; prendre soin de; )
    bedienen; opdissen; voorzetten; opdienen; aan tafel bedienen
    • bedienen verbo (bedien, bedient, bediende, bedienden, bediend)
    • opdissen verbo (dis op, dist op, diste op, disten op, opgedist)
    • voorzetten verbo (zet voor, zette voor, zetten voor, voorgezet)
    • opdienen verbo (dien op, dient op, diende op, dienden op, opgediend)
    • aan tafel bedienen verbo (bedien aan tafel, bedient aan tafel, bediende aan tafel, bedienden aan tafel, aan tafel bediend)
  14. présenter (formuler; phraser; envelopper; tourner)
    inkleden
    • inkleden verbo (kleed in, kleedt in, kleedde in, kleedden in, ingekleed)
  15. présenter (proposer; avancer)
    naar voren brengen; opperen; poneren
    • naar voren brengen verbo (breng naar voren, brengt naar voren, bracht naar voren, brachten naar voren, naar voren gebracht)
    • opperen verbo (opper, oppert, opperde, opperden, geopperd)
    • poneren verbo (poneer, poneert, poneerde, poneerden, geponeerd)
  16. présenter (soumettre; proposer; suggérer)
    voorleggen; ter overweging geven
    • voorleggen verbo (leg voor, legt voor, legde voor, legden voor, voorgelegd)
    • ter overweging geven verbo (geef ter overweging, geeft ter overweging, gaf ter overweging, gaven ter overweging, ter overweging gegeven)
  17. présenter (servir à table; servir; offrir)
    voorschotelen
    • voorschotelen verbo (schotel voor, schotelt voor, schotelde voor, schotelden voor, voorgeschoteld)
  18. présenter (mettre sur la table; alléguer; soulever; )
    ter sprake brengen; aanvoeren; entameren; aansnijden; opwerpen; aankaarten; te berde brengen; op tafel leggen; opperen
    • ter sprake brengen verbo (breng ter sprake, brengt ter sprake, bracht ter sprake, brachten ter sprake, tersprake gebracht)
    • aanvoeren verbo (voer aan, voert aan, voerde aan, voerden aan, aangevoerd)
    • entameren verbo
    • aansnijden verbo (snijd aan, snijdt aan, sneed aan, sneden aan, aangesneden)
    • opwerpen verbo (werp op, werpt op, werpte op, werpten op, opgeworpen)
    • aankaarten verbo (kaart aan, kaartte aan, kaartten aan, aangekaart)
    • te berde brengen verbo (breng te berde, brengt te berde, bracht te berde, brachten te berde, bracht te berde)
    • opperen verbo (opper, oppert, opperde, opperden, geopperd)
  19. présenter
    tentoonstellen
    • tentoonstellen verbo (stel tentoon, stelt tentoon, stelde tentoon, stelden tentoon, tentoongesteld)

Conjugaciones de présenter:

Présent
  1. présente
  2. présentes
  3. présente
  4. présentons
  5. présentez
  6. présentent
imparfait
  1. présentais
  2. présentais
  3. présentait
  4. présentions
  5. présentiez
  6. présentaient
passé simple
  1. présentai
  2. présentas
  3. présenta
  4. présentâmes
  5. présentâtes
  6. présentèrent
futur simple
  1. présenterai
  2. présenteras
  3. présentera
  4. présenterons
  5. présenterez
  6. présenteront
subjonctif présent
  1. que je présente
  2. que tu présentes
  3. qu'il présente
  4. que nous présentions
  5. que vous présentiez
  6. qu'ils présentent
conditionnel présent
  1. présenterais
  2. présenterais
  3. présenterait
  4. présenterions
  5. présenteriez
  6. présenteraient
passé composé
  1. ai présenté
  2. as présenté
  3. a présenté
  4. avons présenté
  5. avez présenté
  6. ont présenté
divers
  1. présente!
  2. présentez!
  3. présentons!
  4. présenté
  5. présentant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "présenter":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de présenter



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios