Traducciones detalladas de quitter de francés a neerlandés
quitter:
-
gaan;
vertrekken;
weggaan;
heengaan;
opstappen;
opbreken
-
gaan
verbo
(ga, gaat, ging, gingen, gegaan)
-
vertrekken
verbo
(vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
-
weggaan
verbo
(ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
-
heengaan
verbo
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
opstappen
verbo
(stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
-
opbreken
verbo
(breek op, breekt op, brak op, braken op, opgebroken)
-
vertrekken;
verlaten;
heengaan
-
vertrekken
verbo
(vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
-
verlaten
verbo
(verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
-
heengaan
verbo
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
-
verlaten;
afreizen;
wegtrekken;
heengaan;
verdwijnen;
wegreizen
-
verlaten
verbo
(verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
-
afreizen
verbo
(reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
-
wegtrekken
verbo
(trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
-
heengaan
verbo
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
verdwijnen
verbo
(verdwijn, verdwijnt, verdween, verdwenen, verdwenen)
-
wegreizen
verbo
(reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
-
vertrekken;
weggaan;
verwijderen;
wegtrekken;
smeren;
afreizen;
opstappen;
wegreizen
-
vertrekken
verbo
(vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
-
weggaan
verbo
(ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
-
verwijderen
verbo
(verwijder, verwijdert, verwijderde, verwijderden, verwijderd)
-
wegtrekken
verbo
(trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
-
smeren
verbo
(smeer, smeert, smeerde, smeerden, gesmeerd)
-
afreizen
verbo
(reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
-
opstappen
verbo
(stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
-
wegreizen
verbo
(reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
-
terugtrekken;
aftreden;
uittreden
-
terugtrekken
verbo
(trek terug, trekt terug, trok terug, trokken terug, teruggetrokken)
-
aftreden
verbo
(treed af, treedt af, trad af, traden af, afgetreden)
-
uittreden
verbo
(treed uit, treedt uit, trad uit, traden uit, uitgetreden)
-
quitter
Conjugaciones de quitter:
Présent
- quitte
- quittes
- quitte
- quittons
- quittez
- quittent
imparfait
- quittais
- quittais
- quittait
- quittions
- quittiez
- quittaient
passé simple
- quittai
- quittas
- quitta
- quittâmes
- quittâtes
- quittèrent
futur simple
- quitterai
- quitteras
- quittera
- quitterons
- quitterez
- quitteront
subjonctif présent
- que je quitte
- que tu quittes
- qu'il quitte
- que nous quittions
- que vous quittiez
- qu'ils quittent
conditionnel présent
- quitterais
- quitterais
- quitterait
- quitterions
- quitteriez
- quitteraient
passé composé
- ai quitté
- as quitté
- a quitté
- avons quitté
- avez quitté
- ont quitté
divers
- quitte!
- quittez!
- quittons!
- quitté
- quittant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles
Sinónimos de "quitter":
Traducciones automáticas externas:
Images:
Traducciones relacionadas de quitter