Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de supprimer de francés a neerlandés

supprimer:

supprimer verbo

  1. supprimer (abolir; abroger)
    afschaffen
    • afschaffen verbo (schaf af, schaft af, schafte af, schaften af, afgeschaft)
  2. supprimer (annuler; suspendre; révoquer; )
    annuleren; afzeggen; nietig verklaren; afbestellen; intrekken; afgelasten
    • annuleren verbo (annuleer, annuleert, annuleerde, annuleerden, geannuleerd)
    • afzeggen verbo (zeg af, zegt af, zei af, zeiden af, afgezegd)
    • nietig verklaren verbo (verklaar nietig, verklaart nietig, verklaarde nietig, verklaarden nietig, nietig verklaard)
    • afbestellen verbo (bestel af, bestelt af, bestelde af, bestelden af, afbesteld)
    • intrekken verbo (trek in, trekt in, trok in, trokken in, ingetrokken)
    • afgelasten verbo (gelast af, gelastte af, gelastten af, afgelast)
  3. supprimer (annihiler; annuler; liquider; )
    opheffen; teniet doen; verijdelen; nullificeren; vernietigen; ondervangen
    • opheffen verbo (hef op, heft op, hief op, hieven op, opgeheven)
    • teniet doen verbo
    • verijdelen verbo (verijdel, verijdelt, verijdelde, verijdelden, verijdeld)
    • nullificeren verbo
    • vernietigen verbo (vernietig, vernietigt, vernietigde, vernietigden, vernietigd)
    • ondervangen verbo (ondervang, ondervangt, onderving, ondervingen, ondervangen)
  4. supprimer (abolir; détruire; liquider)
    opheffen; opdoeken
    • opheffen verbo (hef op, heft op, hief op, hieven op, opgeheven)
    • opdoeken verbo (doek op, doekt op, doekte op, doekten op, opgedoekt)
  5. supprimer (achever; compléter; finir; )
    completeren; voltooien; afronden; afmaken; beëindigen; afwerken; klaarmaken; volbrengen; volmaken; een einde maken aan; afkrijgen; klaarkrijgen
    • completeren verbo (completeer, completeert, completeerde, completeerden, gecompleteerd)
    • voltooien verbo (voltooi, voltooit, voltooide, voltooiden, voltooid)
    • afronden verbo (rond af, rondt af, rondde af, rondden af, afgerond)
    • afmaken verbo (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • beëindigen verbo (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afwerken verbo (werk af, werkt af, werkte af, werkten af, afgewerkt)
    • klaarmaken verbo (maak klaar, maakt klaar, maakte klaar, maakten klaar, klaargemaakt)
    • volbrengen verbo (volbreng, volbrengt, volbracht, volbrachten, volbracht)
    • volmaken verbo (volmaak, volmaakt, volmaakte, volmaakten, volmaakt)
    • een einde maken aan verbo (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
    • afkrijgen verbo (krijg af, krijgt af, kreeg af, kregen af, afgekregen)
    • klaarkrijgen verbo (krijg klaar, krijgt klaar, kreeg klaar, kregen klaar, klaargekregen)
  6. supprimer (débiter)
    afschrijven
    • afschrijven verbo (schrijf af, schrijft af, schreef af, schreven af, afgeschreven)
  7. supprimer (tuer; assassiner; liquider; )
    doden; vermoorden; liquideren; van kant maken; doodmaken; afmaken; doodslaan; ombrengen
    • doden verbo (dood, doodt, doodde, doodden, gedood)
    • vermoorden verbo (vermoord, vermoordt, vermoordde, vermoordden, vermoord)
    • liquideren verbo (liquideer, liquideert, liquideerde, liquideerden, geliquideerd)
    • van kant maken verbo (maak van kant, maakt van kant, maakte van kant, maakten van kant, van kant gemaakt)
    • doodmaken verbo (maak dood, maakt dood, maakte dood, maakten dood, doodgemaakt)
    • afmaken verbo (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • doodslaan verbo (sla dood, slaat dood, sloeg dood, sloegen dood, doodgeslagen)
    • ombrengen verbo (breng om, brengt om, bracht om, brachten om, omgebracht)
  8. supprimer (démolir; détruire; démonter; )
    afbreken; slopen; omverhalen; uit elkaar halen; breken; neerhalen
    • afbreken verbo (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)
    • slopen verbo (sloop, sloopt, sloopte, sloopten, gesloopt)
    • omverhalen verbo (haal omver, haalt omver, haalde omver, haalden omver, omver gehaald)
    • uit elkaar halen verbo (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
    • breken verbo (breek, breekt, brak, braken, gebroken)
    • neerhalen verbo (haal neer, haalt neer, haalde neer, haalden neer, neergehaald)
  9. supprimer (liquider)
    liquideren; uitroeien
    • liquideren verbo (liquideer, liquideert, liquideerde, liquideerden, geliquideerd)
    • uitroeien verbo (roei uit, roeit uit, roeide uit, roeiden uit, uitgeroeid)
  10. supprimer (avoir de l'acide gastrique; subdiviser; se désagréger)
    opbreken; zuur opbreken
  11. supprimer
    verwijderen
    • verwijderen verbo (verwijder, verwijdert, verwijderde, verwijderden, verwijderd)

Conjugaciones de supprimer:

Présent
  1. supprime
  2. supprimes
  3. supprime
  4. supprimons
  5. supprimez
  6. suppriment
imparfait
  1. supprimais
  2. supprimais
  3. supprimait
  4. supprimions
  5. supprimiez
  6. supprimaient
passé simple
  1. supprimai
  2. supprimas
  3. supprima
  4. supprimâmes
  5. supprimâtes
  6. supprimèrent
futur simple
  1. supprimerai
  2. supprimeras
  3. supprimera
  4. supprimerons
  5. supprimerez
  6. supprimeront
subjonctif présent
  1. que je supprime
  2. que tu supprimes
  3. qu'il supprime
  4. que nous supprimions
  5. que vous supprimiez
  6. qu'ils suppriment
conditionnel présent
  1. supprimerais
  2. supprimerais
  3. supprimerait
  4. supprimerions
  5. supprimeriez
  6. supprimeraient
passé composé
  1. ai supprimé
  2. as supprimé
  3. a supprimé
  4. avons supprimé
  5. avez supprimé
  6. ont supprimé
divers
  1. supprime!
  2. supprimez!
  3. supprimons!
  4. supprimé
  5. supprimant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "supprimer":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de supprimer



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios