Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de verser de francés a neerlandés

verser:

verser verbo

  1. verser (transférer de l'argent; envoyer; virer; transcrire; expédier)
    geld overmaken; overschrijven; overboeken; overzenden
    • overschrijven verbo (overschrijf, overschrijft, overschreef, overschreven, overschreven)
    • overboeken verbo (overboek, overboekt, overboekte, overboekten, overboekt)
    • overzenden verbo (zend over, zendt over, zond over, zonden over, overgezonden)
  2. verser (déposer; transcrire; virer; transférer)
    storten; deponeren
    • storten verbo (stort, stortte, stortten, gestort)
    • deponeren verbo (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  3. verser (déverser; vider; arroser)
    schenken; gieten; uitstorten
    • schenken verbo (schenk, schenkt, schonk, schonken, geschonken)
    • gieten verbo (giet, giette, gietten, gegoten)
    • uitstorten verbo (stort uit, stortte uit, stortten uit, uitgestort)
  4. verser (faire consommer; appliquer; administrer; faire prendre; faire avaler)
    geven; verstrekken; ingeven; iemand iets toedienen; binnen gieten
    • geven verbo (geef, geeft, gaf, gaven, gegeven)
    • verstrekken verbo (verstrek, verstrekt, verstrekte, verstrekten, verstrekt)
    • ingeven verbo (geef in, geeft in, gaf in, gaven in, ingegeven)
    • binnen gieten verbo (giet binnen, goot binnen, goten binnen, binnen gegoten)
  5. verser (allouer; distribuer)
    uitkeren
    • uitkeren verbo (keer uit, keert uit, keerde uit, keerden uit, uitgekeerd)
  6. verser (verser à un compte)
    op rekening storten; bijstorten
  7. verser (transvaser)
    overgieten; overstorten; overschenken
  8. verser (donner cadeau; offrir; céder; faire présent de)
    schenken; cadeau geven; cadeau doen
    • schenken verbo (schenk, schenkt, schonk, schonken, geschonken)
    • cadeau geven verbo (geef cadeau, geeft cadeau, gaf cadeau, gaven cadeau, cadeau gegeven)
    • cadeau doen verbo
  9. verser (distribuer; diviser; partager; )
    distribueren; verdelen; uitreiken; ronddelen
    • distribueren verbo (distribueer, distribueert, distribueerde, distribueerden, gedistribueerd)
    • verdelen verbo (verdeel, verdeelt, verdeelde, verdeelden, verdeeld)
    • uitreiken verbo (reik uit, reikt uit, reikte uit, reikten uit, uitgereikt)
    • ronddelen verbo (deel rond, deelt rond, deelde rond, deelden rond, rondgedeeld)
  10. verser (faire un don; donner; gratifier; )
    geven; schenken; doneren
    • geven verbo (geef, geeft, gaf, gaven, gegeven)
    • schenken verbo (schenk, schenkt, schonk, schonken, geschonken)
    • doneren verbo (doneer, doneert, doneerde, doneerden, gedoneerd)
  11. verser (arroser)
  12. verser (vider; boire; se vider; )
    leegmaken; opdrinken; ledigen; uitdrinken; leegdrinken
    • leegmaken verbo (maak leeg, maakt leeg, maakte leeg, maakten leeg, leeggemaakt)
    • opdrinken verbo (drink op, drinkt op, dronk op, dronken op, opgedronken)
    • ledigen verbo (ledig, ledigt, ledigde, ledigden, geledigd)
    • uitdrinken verbo (drink uit, drinkt uit, dronk uit, dronken uit, uitgedronken)
    • leegdrinken verbo (drink leeg, drinkt leeg, dronk leeg, dronken leeg, leeggedronken)
  13. verser (répandre; épandre; épancher; faire couler)
    vergieten
    • vergieten verbo (vergiet, vergoot, vergoten, vergoten)
  14. verser (déverser; décharger; débarrasser; vider)
    ledigen; uitgieten; leeggieten; leegmaken
    • ledigen verbo (ledig, ledigt, ledigde, ledigden, geledigd)
    • uitgieten verbo (giet uit, goot uit, goten uit, uitgegoten)
    • leeggieten verbo (giet leeg, goot leeg, goten leeg, leeggegoten)
    • leegmaken verbo (maak leeg, maakt leeg, maakte leeg, maakten leeg, leeggemaakt)
  15. verser (débarrasser; déverser; boire; )
    uitschenken
    • uitschenken verbo (schenk uit, schenkt uit, schonk uit, schonken uit, uitgeschonken)

Conjugaciones de verser:

Présent
  1. verse
  2. verses
  3. verse
  4. versons
  5. versez
  6. versent
imparfait
  1. versais
  2. versais
  3. versait
  4. versions
  5. versiez
  6. versaient
passé simple
  1. versai
  2. versas
  3. versa
  4. versâmes
  5. versâtes
  6. versèrent
futur simple
  1. verserai
  2. verseras
  3. versera
  4. verserons
  5. verserez
  6. verseront
subjonctif présent
  1. que je verse
  2. que tu verses
  3. qu'il verse
  4. que nous versions
  5. que vous versiez
  6. qu'ils versent
conditionnel présent
  1. verserais
  2. verserais
  3. verserait
  4. verserions
  5. verseriez
  6. verseraient
passé composé
  1. ai versé
  2. as versé
  3. a versé
  4. avons versé
  5. avez versé
  6. ont versé
divers
  1. verse!
  2. versez!
  3. versons!
  4. versé
  5. versant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "verser":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de verser



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios