Resumen
Neerlandés a español: más información...
-
ijlen:
- charlar; delirar; cascar; desvariar; disparatar; cotorrear; parlotear; decir tonterías; comprar tonteras; dar prisa; acosar; darse prisa; ir corriendo; incitar; apresurar; apresurarse; hacer subir; instigar; adelantar; perseguir; levantar; ir volando; ir apresuradamente; crecer; irse a cazar; avanzar; precipitarse; atosigar; meter prisa; hacerse mayor; afanarse tras; divagar; aspirar a
- ijl:
Neerlandés
Traducciones detalladas de ijlen de neerlandés a español
ijlen:
-
ijlen (onzin uitkramen; raaskallen; kletsen; onzin verkopen; wartaal spreken)
charlar; delirar; cascar; desvariar; disparatar; cotorrear; parlotear; decir tonterías; comprar tonteras-
charlar verbo
-
delirar verbo
-
cascar verbo
-
desvariar verbo
-
disparatar verbo
-
cotorrear verbo
-
parlotear verbo
-
decir tonterías verbo
-
comprar tonteras verbo
-
-
ijlen (zich spoeden; haasten; jagen; aanpoten; overhaasten; voortmaken; haast maken; spoeden)
dar prisa; acosar; darse prisa; ir corriendo; incitar; apresurar; apresurarse; hacer subir; instigar-
dar prisa verbo
-
acosar verbo
-
darse prisa verbo
-
ir corriendo verbo
-
incitar verbo
-
apresurar verbo
-
apresurarse verbo
-
hacer subir verbo
-
instigar verbo
-
-
ijlen (zich haasten; opschieten; jagen; snellen; zich spoeden; vliegen; spoeden; jachten; reppen; jakkeren)
adelantar; perseguir; hacer subir; levantar; ir volando; ir apresuradamente; apresurarse; crecer; irse a cazar; darse prisa; avanzar; precipitarse; atosigar; meter prisa; apresurar; delirar; instigar; hacerse mayor; afanarse tras; divagar; aspirar a-
adelantar verbo
-
perseguir verbo
-
hacer subir verbo
-
levantar verbo
-
ir volando verbo
-
ir apresuradamente verbo
-
apresurarse verbo
-
crecer verbo
-
irse a cazar verbo
-
darse prisa verbo
-
avanzar verbo
-
precipitarse verbo
-
atosigar verbo
-
meter prisa verbo
-
apresurar verbo
-
delirar verbo
-
instigar verbo
-
hacerse mayor verbo
-
afanarse tras verbo
-
divagar verbo
-
aspirar a verbo
-
Conjugaciones de ijlen:
o.t.t.
- ijl
- ijlt
- ijlt
- ijlen
- ijlen
- ijlen
o.v.t.
- ijlde
- ijlde
- ijlde
- ijlden
- ijlden
- ijlden
v.t.t.
- heb geijld
- hebt geijld
- heeft geijld
- hebben geijld
- hebben geijld
- hebben geijld
v.v.t.
- had geijld
- had geijld
- had geijld
- hadden geijld
- hadden geijld
- hadden geijld
o.t.t.t.
- zal ijlen
- zult ijlen
- zal ijlen
- zullen ijlen
- zullen ijlen
- zullen ijlen
o.v.t.t.
- zou ijlen
- zou ijlen
- zou ijlen
- zouden ijlen
- zouden ijlen
- zouden ijlen
en verder
- ben geijld
- bent geijld
- is geijld
- zijn geijld
- zijn geijld
- zijn geijld
diversen
- ijl!
- ijlt!
- geijld
- ijlend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
Palabras relacionadas con "ijlen":
ijlen forma de ijl:
-
ijl (van geringe dichtheid; dun)
-
ijl (haastigheid; haast; spoed; overijling; gehaastheid)
-
ijl (topsnelheid; maximumsnelheid; hoogste snelheid)
Palabras relacionadas con "ijl":
Traducciones automáticas externas:
Images: