Resumen
Neerlandés a español:   más información...
  1. opspannen:


Neerlandés

Traducciones detalladas de opspannen de neerlandés a español

opspannen:

opspannen verbo (span op, spant op, spande op, spanden op, opgespannen)

  1. opspannen (spannen)
    alargar; estirar; tensar; tirar; ceder; contraer; armar; engrapar; lañar

Conjugaciones de opspannen:

o.t.t.
  1. span op
  2. spant op
  3. spant op
  4. spannen op
  5. spannen op
  6. spannen op
o.v.t.
  1. spande op
  2. spande op
  3. spande op
  4. spanden op
  5. spanden op
  6. spanden op
v.t.t.
  1. heb opgespannen
  2. hebt opgespannen
  3. heeft opgespannen
  4. hebben opgespannen
  5. hebben opgespannen
  6. hebben opgespannen
v.v.t.
  1. had opgespannen
  2. had opgespannen
  3. had opgespannen
  4. hadden opgespannen
  5. hadden opgespannen
  6. hadden opgespannen
o.t.t.t.
  1. zal opspannen
  2. zult opspannen
  3. zal opspannen
  4. zullen opspannen
  5. zullen opspannen
  6. zullen opspannen
o.v.t.t.
  1. zou opspannen
  2. zou opspannen
  3. zou opspannen
  4. zouden opspannen
  5. zouden opspannen
  6. zouden opspannen
en verder
  1. is opgespannen
  2. zijn opgespannen
diversen
  1. span op!
  2. spant op!
  3. opgespannen
  4. opspannend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for opspannen:

NounTraducciones relacionadasOther Translations
ceder uitrekken
tirar afdrukken; drukken; weggooien
VerbTraducciones relacionadasOther Translations
alargar opspannen; spannen continueren; doorgaan; duur verlengen; prolongeren; uitrekken; verdergaan; verlengen; vervolgen; voortzetten
armar opspannen; spannen aandoen; bepantseren; berokkenen; bewapenen; harnassen; in het leven roepen; maken; muziek componeren; scheppen; veroorzaken; wapenen
ceder opspannen; spannen aan een ander overlaten; afgeven; afleggen; afstaan; afstand doen; afzien; bezwijken; doorschuiven; erop achteruitgaan; geld inleveren; gunnen; het onderspit delven; iets toekennen; inleveren; overgeven; overhandigen; rekken; tenondergaan; toebedelen; toekennen; toewijzen; uitstrekken; vlieden; vluchten; wegvluchten; wijken
contraer opspannen; spannen contract aangaan; contracteren; samentrekken; samenvouwen
engrapar opspannen; spannen
estirar opspannen; spannen loskrijgen; losmaken; lostornen; oprekken; rekken; strekken; tornen; uithalen; uitstrekken; uittrekken
lañar opspannen; spannen krammen; met een kram vastmaken
tensar opspannen; spannen
tirar opspannen; spannen afdanken; afdrukken; afschieten; afsmijten; afvuren; afwerpen; binnenwerpen; ecarteren; keilen; naar beneden gooien; neergooien; omduwen; omstoten; omverrukken; omverstoten; op de grond gooien; schieten; schoten lossen; smijten; tevoorschijn trekken; trekker overhalen; vuren; weggooien; wegsmijten