Resumen
Neerlandés a francés: más información...
-
ophouden:
- arrêter; cesser; abandonner; renoncer à; laisser; finir; terminer; mettre fin à; conclure; se terminer; suspendre; achever; en finir; résilier; mettre au point; couper; parvenir à enlever; casser; stopper; parachever; interrompre; prendre fin; tenir levé; limiter; délimiter; s'achever; retarder; ralentir; attarder; temporiser; relever; maintenir; soutenir; bloquer; détacher; être éliminé; décrocher; débrancher; débrayer; déserter; dévisser; dégrafer; dételer; défaire; déconnecter; disparaître; être en voie de disparition; mourir; décéder; s'éteindre; rendre l'âme; être en voie d'extinction
- terminaison; achèvement; fin; action d'arrêter
Neerlandés
Traducciones detalladas de ophouden de neerlandés a francés
ophouden:
-
ophouden (ermee uitscheiden; stoppen; opgeven; staken; uitscheiden)
arrêter; cesser; abandonner; renoncer à; laisser-
arrêter verbo
-
cesser verbo
-
abandonner verbo
-
renoncer à verbo
-
laisser verbo
-
-
ophouden (een einde maken aan; beëindigen; afsluiten; eindigen; stoppen)
finir; arrêter; terminer; cesser; mettre fin à; conclure; se terminer; suspendre; achever; en finir; résilier; mettre au point; couper; parvenir à enlever; casser; stopper; parachever; interrompre; prendre fin; tenir levé; limiter; délimiter; s'achever-
finir verbo
-
arrêter verbo
-
terminer verbo
-
cesser verbo
-
mettre fin à verbo
-
conclure verbo
-
se terminer verbo
-
suspendre verbo
-
achever verbo
-
en finir verbo
-
résilier verbo
-
mettre au point verbo
-
couper verbo
-
parvenir à enlever verbo
-
casser verbo
-
stopper verbo
-
parachever verbo
-
interrompre verbo
-
prendre fin verbo
-
tenir levé verbo
-
limiter verbo
-
délimiter verbo
-
s'achever verbo
-
-
ophouden (aflaten)
-
ophouden (temporiseren; vertragen)
-
ophouden (omhooghouden; in de hoogte houden; hooghouden)
tenir levé; relever; maintenir; soutenir-
tenir levé verbo
-
relever verbo
-
maintenir verbo
-
soutenir verbo
-
-
ophouden (stopzetten; remmen; tegenhouden; halt houden; tot staan brengen)
-
ophouden (opgeven; stoppen; afhaken; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen)
abandonner; détacher; être éliminé; décrocher; débrancher; débrayer; déserter; dévisser; dégrafer; dételer; défaire; déconnecter-
abandonner verbo
-
détacher verbo
-
être éliminé verbo
-
décrocher verbo
-
débrancher verbo
-
débrayer verbo
-
déserter verbo
-
dévisser verbo
-
dégrafer verbo
-
dételer verbo
-
défaire verbo
-
déconnecter verbo
-
-
ophouden (uitsterven; sterven; afsterven)
disparaître; être en voie de disparition; mourir; décéder; s'éteindre; rendre l'âme; être en voie d'extinction-
disparaître verbo
-
mourir verbo
-
décéder verbo
-
s'éteindre verbo
-
rendre l'âme verbo
-
Conjugaciones de ophouden:
o.t.t.
- houd op
- houdt op
- houdt op
- houden op
- houden op
- houden op
o.v.t.
- hield op
- hield op
- hield op
- hielden op
- hielden op
- hielden op
v.t.t.
- ben opgehouden
- bent opgehouden
- is opgehouden
- zijn opgehouden
- zijn opgehouden
- zijn opgehouden
v.v.t.
- was opgehouden
- was opgehouden
- was opgehouden
- waren opgehouden
- waren opgehouden
- waren opgehouden
o.t.t.t.
- zal ophouden
- zult ophouden
- zal ophouden
- zullen ophouden
- zullen ophouden
- zullen ophouden
o.v.t.t.
- zou ophouden
- zou ophouden
- zou ophouden
- zouden ophouden
- zouden ophouden
- zouden ophouden
diversen
- houd op!
- houdt op!
- opgehouden
- ophoudend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
ophouden (eindigen; staken; uitscheiden; kappen; afhaken)
Sinónimos de "ophouden":
Antónimos de "ophouden":
Definiciones relacionadas de "ophouden":
Traducciones automáticas externas:
Images: