Neerlandés

Traducciones detalladas de uitzwermen de neerlandés a francés

uitzwermen:

uitzwermen verbo (zwerm uit, zwermt uit, zwermde uit, zwermden uit, uitgezwermd)

  1. uitzwermen (verspreiden; zich verspreiden; uitwaaieren; waaieren)
    diffuser; répandre; disperser; se répandre; épandre; se disperser; éparpiller; se déplier; être disposé en éventail; rayonner; disséminer; essaimer; être déployé en éventail; être étalé en éventail
    • diffuser verbo (diffuse, diffuses, diffusons, diffusez, )
    • répandre verbo (répands, répand, répandons, répandez, )
    • disperser verbo (disperse, disperses, dispersons, dispersez, )
    • se répandre verbo
    • épandre verbo (épands, épand, épandons, épandez, )
    • se disperser verbo
    • éparpiller verbo (éparpille, éparpilles, éparpillons, éparpillez, )
    • se déplier verbo
    • rayonner verbo (rayonne, rayonnes, rayonnons, rayonnez, )
    • disséminer verbo (dissémine, dissémines, disséminons, disséminez, )
    • essaimer verbo (essaime, essaimes, essaimons, essaimez, )

Conjugaciones de uitzwermen:

o.t.t.
  1. zwerm uit
  2. zwermt uit
  3. zwermt uit
  4. zwermen uit
  5. zwermen uit
  6. zwermen uit
o.v.t.
  1. zwermde uit
  2. zwermde uit
  3. zwermde uit
  4. zwermden uit
  5. zwermden uit
  6. zwermden uit
v.t.t.
  1. ben uitgezwermd
  2. bent uitgezwermd
  3. is uitgezwermd
  4. zijn uitgezwermd
  5. zijn uitgezwermd
  6. zijn uitgezwermd
v.v.t.
  1. was uitgezwermd
  2. was uitgezwermd
  3. was uitgezwermd
  4. waren uitgezwermd
  5. waren uitgezwermd
  6. waren uitgezwermd
o.t.t.t.
  1. zal uitzwermen
  2. zult uitzwermen
  3. zal uitzwermen
  4. zullen uitzwermen
  5. zullen uitzwermen
  6. zullen uitzwermen
o.v.t.t.
  1. zou uitzwermen
  2. zou uitzwermen
  3. zou uitzwermen
  4. zouden uitzwermen
  5. zouden uitzwermen
  6. zouden uitzwermen
diversen
  1. zwerm uit!
  2. zwermt uit!
  3. uitgezwermd
  4. uitzwermend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uitzwermen:

VerbTraducciones relacionadasOther Translations
diffuser uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden emitteren; heersen; heersen van griep; omroepen; programma uitzenden; rondstralen; rondstrooien; uitstralen; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdeler; verspreiden; verspreiden van ziekte; verstrooien; zenden
disperser uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden rondstrooien; uiteendrijven; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdeler; verspreiden; verstrooien
disséminer uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden uiteendrijven; uitstrooien; uitzaaien
essaimer uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden zwermen
rayonner uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden blaken; fonkelen; glinsteren; glunderen; iets uitstralen; licht geven; licht schijnen; licht uitzenden; schijnen; schitteren; stralen; straling uitzenden
répandre uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden afleggen; alom bekend maken; bezwijken; doorgeven; doorslaan; doorspelen; doorvertellen; een boodschap uitdragen; het onderspit delven; klaar leggen; rondbrieven; ronddelen; rondgeven; rondreiken; rondstrooien; rondvertellen; spreiden; tenondergaan; uitdelen; uitdragen; uitreiken; uitspreiden; uitstrooien; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdelen; verdeler; vergieten; verhaal vertellen; verhalen; verklappen; verkondigen; verraden; verspreiden; verstrooien; vertellen
se disperser uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden uit elkaar stuiven; uit elkaar vliegen; uiteendrijven; uiteenstuiven; uiteenvliegen
se déplier uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden ontvouwen; openspreiden; openvouwen; opvouwen; uitklappen; uitslaan; uitspreiden; uitvouwen; vouwen
se répandre uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden heersen; heersen van griep; verspreiden van ziekte; voortwoekeren; zich verder verspreiden
épandre uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden bezaaien; inzaaien; rondstrooien; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdeler; vergieten; verspreiden; verstrooien; zaaien
éparpiller uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden bezaaien; inzaaien; ronddelen; rondgeven; rondreiken; rondstrooien; uitdelen; uiteenspreiden; uitreiken; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdelen; verdeler; verspreiden; verstrooien; zaaien
être disposé en éventail uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden
être déployé en éventail uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden
être étalé en éventail uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden