Neerlandés
Traducciones detalladas de vastleggen de neerlandés a francés
vastleggen:
-
vastleggen (opschrijven; boeken; noteren; registreren; optekenen)
-
vastleggen (aan een touw vastleggen)
amarrer; attacher; lier; mettre à l'attache-
amarrer verbo
-
attacher verbo
-
lier verbo
-
mettre à l'attache verbo
-
-
vastleggen (contracteren)
contracter; signer un contrat avec; signer-
contracter verbo
-
signer un contrat avec verbo
-
signer verbo
-
-
vastleggen (vastmaken; bevestigen; verzekeren; verbinden; vastzetten; vastbinden)
-
vastleggen (reis boeken; reserveren; bespreken)
-
vastleggen (vastmeren; aanleggen; aanmeren; vastbinden; meren; vastmaken; afmeren)
-
vastleggen (vastkluisteren; vastketenen)
-
vastleggen (geld vastleggen)
Conjugaciones de vastleggen:
o.t.t.
- leg vast
- legt vast
- legt vast
- leggen vast
- leggen vast
- leggen vast
o.v.t.
- legde vast
- legde vast
- legde vast
- legden vast
- legden vast
- legden vast
v.t.t.
- heb vastgelegd
- hebt vastgelegd
- heeft vastgelegd
- hebben vastgelegd
- hebben vastgelegd
- hebben vastgelegd
v.v.t.
- had vastgelegd
- had vastgelegd
- had vastgelegd
- hadden vastgelegd
- hadden vastgelegd
- hadden vastgelegd
o.t.t.t.
- zal vastleggen
- zult vastleggen
- zal vastleggen
- zullen vastleggen
- zullen vastleggen
- zullen vastleggen
o.v.t.t.
- zou vastleggen
- zou vastleggen
- zou vastleggen
- zouden vastleggen
- zouden vastleggen
- zouden vastleggen
en verder
- ben vastgelegd
- bent vastgelegd
- is vastgelegd
- zijn vastgelegd
- zijn vastgelegd
- zijn vastgelegd
diversen
- leg vast!
- legt vast!
- vastgelegd
- vastleggend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
Antónimos de "vastleggen":
Definiciones relacionadas de "vastleggen":
Traducciones automáticas externas:
Images: