Resumen
Neerlandés a sueco:   más información...
  1. pest:
  2. pesten:

Eliminar anuncios

Neerlandés

Traducciones detalladas de pest de neerlandés a sueco

pest:

pest [de ~] sustantivo

  1. de pest (plaag; epidemie)
    epedemi; pest
  2. de pest (builenpest)
    böldpest

Palabras relacionadas con "pest":


pest forma de pesten:

pesten verbo (pest, pestte, pestten, gepest)

  1. pesten (treiteren; plagen; koeioneren; )
    plåga; trakassera; besvära
    • plåga verbo (plågar, plågade, plågat)
    • trakassera verbo (trakasserar, trakasserade, trakasserat)
    • besvära verbo (besvärar, besvärade, besvärat)
  2. pesten (sarren; uitdagen; plagen; )
    tjata
    • tjata verbo (tjatar, tjatade, tjatat)

Conjugaciones de pesten:

o.t.t.
  1. pest
  2. pest
  3. pest
  4. pesten
  5. pesten
  6. pesten
o.v.t.
  1. pestte
  2. pestte
  3. pestte
  4. pestten
  5. pestten
  6. pestten
v.t.t.
  1. heb gepest
  2. hebt gepest
  3. heeft gepest
  4. hebben gepest
  5. hebben gepest
  6. hebben gepest
v.v.t.
  1. had gepest
  2. had gepest
  3. had gepest
  4. hadden gepest
  5. hadden gepest
  6. hadden gepest
o.t.t.t.
  1. zal pesten
  2. zult pesten
  3. zal pesten
  4. zullen pesten
  5. zullen pesten
  6. zullen pesten
o.v.t.t.
  1. zou pesten
  2. zou pesten
  3. zou pesten
  4. zouden pesten
  5. zouden pesten
  6. zouden pesten
en verder
  1. ben gepest
  2. bent gepest
  3. is gepest
  4. zijn gepest
  5. zijn gepest
  6. zijn gepest
diversen
  1. pest!
  2. pest!
  3. gepest
  4. pestend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

Palabras relacionadas con "pesten":


Traducciones automáticas externas:
Images:


Eliminar anuncios

Eliminar anuncios