Inglés

Traducciones detalladas de advantageous de inglés a neerlandés

advantageous:


Translation Matrix for advantageous:

AdjectiveTraducciones relacionadasOther Translations
bevorderlijk advantageous; beneficial to; favorable; favourable
dienstig advantageous; beneficial to; favorable; favourable
gunstig advantageous; beneficial to; favorable; favourable
lonend advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable appropriate; effective; efficient; suitable; worthwile
lucratief advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable
positief advantageous; beneficial to; favorable; favourable positive; surplus
produktief advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable productive
profijtelijk advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable
rendabel advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable
voordelig advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable serviceable; usable; useful
vruchtbaar advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable
winstgevend advantageous; lucrative; profitable; rewarding; to advantage; valuable
ModifierTraducciones relacionadasOther Translations
tot nut advantageous; beneficial to; favorable; favourable

Palabras relacionadas con "advantageous":


Sinónimos de "advantageous":


Antónimos de "advantageous":


Definiciones relacionadas de "advantageous":

  1. giving an advantage1
    • a contract advantageous to our country1
    • socially advantageous to entertain often1
  2. appropriate for achieving a particular end; implies a lack of concern for fairness1

Wiktionary: advantageous

advantageous
adjective
  1. ten voordeel strekkend
  2. een voordeel gevend, met name geldelijk

Cross Translation:
FromToVia
advantageous lucratief; rendabel; winstgevend; voordelig avantageux — Qui apporte, qui produit de l’avantage.
advantageous doelmatig; gemakkelijk; geschikt; gepast; passend commode — Pratique
advantageous bruikbaar; geschikt; doelmatig; gemakkelijk; gepast; passend; betamelijk; toepasselijk; behoorlijk; fatsoenlijk; keurig; voegzaam; welvoeglijk convenable — Qui est approprier, qui convient à quelqu’un ou à quelque chose.
advantageous doelmatig; gemakkelijk; geschikt; gepast; passend opportun — Qui est à propos, selon le temps et le lieu.
advantageous bruikbaar; geschikt; goedgezind; gunstig; toegenegen; welgezind; lievelings- propice — Qui est favorable, en parlant de divinité, toute puissance, ou autorité dont nous pouvoir dépendre.