Eliminar anuncios

Español

Traducciones detalladas de adelantar de español a neerlandés

adelantar:

adelantar verbo

  1. adelantar (perseguir; hacer subir; levantar; )
    zich haasten; opschieten; jagen; snellen; zich spoeden; vliegen; spoeden; jachten; reppen; jakkeren; ijlen
    • zich haasten verbo
    • opschieten verbo (schiet op, schoot op, schoten op, opgeschoten)
    • jagen verbo (jaag, jaagt, jaagde, jaagden, gejaagd)
    • snellen verbo (snel, snelt, snelde, snelden, gesneld)
    • zich spoeden verbo
    • vliegen verbo (vlieg, vliegt, vloog, vlogen, gevlogen)
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
    • jachten verbo (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • reppen verbo
    • jakkeren verbo (jakker, jakkert, jakkerde, jakkerden, gejakkerd)
    • ijlen verbo (ijl, ijlt, ijlde, ijlden, geijld)
  2. adelantar (pasar)
    passeren; voorbijgaan; inhalen; voorbijrijden
    • passeren verbo (passeer, passeert, passeerde, passeerden, gepasseerd)
    • voorbijgaan verbo (ga voorbij, gaat voorbij, ging voorbij, gingen voorbij, voorbij gegaan)
    • inhalen verbo (haal in, haalt in, haalde in, haalden in, ingehaald)
    • voorbijrijden verbo (rijd voorbij, rijdt voorbij, reed voorbij, reden voorbij, voorbij gereden)
  3. adelantar
    voorschieten
    • voorschieten verbo (schiet voor, schoot voor, schoten voor, voorgeschoten)
  4. adelantar (avanzar; progresar; aplazarse; avanzar sobre)
    aanrukken
    • aanrukken verbo (ruk aan, rukt aan, rukte aan, rukten aan, aangerukt)
  5. adelantar (progresar; avanzar; preceder)
    vooruitgaan
    • vooruitgaan verbo (ga vooruit, gaat vooruit, ging vooruit, gingen vooruit, vooruit gegaan)
  6. adelantar (salir adelante; avanzar; progresar; mejorar su posición)
    vorderen; vooruitkomen; verder komen
    • vorderen verbo (vorder, vordert, vorderde, vorderden, gevorderd)
    • vooruitkomen verbo (kom vooruit, komt vooruit, kwam vooruit, kwamen vooruit, vooruit gekomen)
    • verder komen verbo

Conjugaciones de adelantar:

presente
  1. adelanto
  2. adelantas
  3. adelanta
  4. adelantamos
  5. adelantáis
  6. adelantan
imperfecto
  1. adelantaba
  2. adelantabas
  3. adelantaba
  4. adelantábamos
  5. adelantabais
  6. adelantaban
indefinido
  1. adelanté
  2. adelantaste
  3. adelantó
  4. adelantamos
  5. adelantasteis
  6. adelantaron
fut. de ind.
  1. adelantaré
  2. adelantarás
  3. adelantará
  4. adelantaremos
  5. adelantaréis
  6. adelantarán
condic.
  1. adelantaría
  2. adelantarías
  3. adelantaría
  4. adelantaríamos
  5. adelantaríais
  6. adelantarían
pres. de subj.
  1. que adelante
  2. que adelantes
  3. que adelante
  4. que adelantemos
  5. que adelantéis
  6. que adelanten
imp. de subj.
  1. que adelantara
  2. que adelantaras
  3. que adelantara
  4. que adelantáramos
  5. que adelantarais
  6. que adelantaran
miscelánea
  1. ¡adelanta!
  2. ¡adelantad!
  3. ¡no adelantes!
  4. ¡no adelantéis!
  5. adelantado
  6. adelantando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Sinónimos de "adelantar":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de adelantar



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios