Eliminar anuncios

Español

Traducciones detalladas de divagar de español a neerlandés

divagar:

divagar verbo

  1. divagar (idear; imaginar; inventar; )
    bedenken; verzinnen; uitdenken; verdichten; fantaseren; voorwenden
    • bedenken verbo (bedenk, bedenkt, bedacht, bedachten, bedacht)
    • verzinnen verbo (verzin, verzint, verzon, verzonnen, verzonnen)
    • uitdenken verbo (denk uit, denkt uit, dacht uit, dachten uit, uitgedacht)
    • verdichten verbo (verdicht, verdichtte, verdichtten, verdicht)
    • fantaseren verbo (fantaseer, fantaseert, fantaseerde, fantaseerden, gefantaseerd)
    • voorwenden verbo (wend voor, wendt voor, wendde voor, wendden voor, voorgewend)
  2. divagar (padecer de estrés; precipitarse; apresurar; )
    stressen
    • stressen verbo (stres, strest, streste, stresten, gestest)
  3. divagar (adelantar; perseguir; hacer subir; )
    zich haasten; opschieten; jagen; snellen; zich spoeden; vliegen; spoeden; jachten; reppen; jakkeren; ijlen
    • zich haasten verbo
    • opschieten verbo (schiet op, schoot op, schoten op, opgeschoten)
    • jagen verbo (jaag, jaagt, jaagde, jaagden, gejaagd)
    • snellen verbo (snel, snelt, snelde, snelden, gesneld)
    • zich spoeden verbo
    • vliegen verbo (vlieg, vliegt, vloog, vlogen, gevlogen)
    • spoeden verbo (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
    • jachten verbo (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • reppen verbo
    • jakkeren verbo (jakker, jakkert, jakkerde, jakkerden, gejakkerd)
    • ijlen verbo (ijl, ijlt, ijlde, ijlden, geijld)

Conjugaciones de divagar:

presente
  1. divago
  2. divagas
  3. divaga
  4. divagamos
  5. divagáis
  6. divagan
imperfecto
  1. divagaba
  2. divagabas
  3. divagaba
  4. divagábamos
  5. divagabais
  6. divagaban
indefinido
  1. divagué
  2. divagaste
  3. divagó
  4. divagamos
  5. divagasteis
  6. divagaron
fut. de ind.
  1. divagaré
  2. divagarás
  3. divagará
  4. divagaremos
  5. divagaréis
  6. divagarán
condic.
  1. divagaría
  2. divagarías
  3. divagaría
  4. divagaríamos
  5. divagaríais
  6. divagarían
pres. de subj.
  1. que divague
  2. que divagues
  3. que divague
  4. que divaguemos
  5. que divaguéis
  6. que divaguen
imp. de subj.
  1. que divagara
  2. que divagaras
  3. que divagara
  4. que divagáramos
  5. que divagarais
  6. que divagaran
miscelánea
  1. ¡divaga!
  2. ¡divagad!
  3. ¡no divagues!
  4. ¡no divaguéis!
  5. divagado
  6. divagando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Sinónimos de "divagar":


Traducciones automáticas externas:
Images:


Eliminar anuncios


Eliminar anuncios