Eliminar anuncios

Francés

Traducciones detalladas de régler de francés a neerlandés

régler:

régler verbo

  1. régler (ajuster; raccommoder; adapter)
    bijstellen; afstemmen; regelen; afstellen
    • bijstellen verbo (stel bij, stelt bij, stelde bij, stelden bij, bijgesteld)
    • afstemmen verbo (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)
    • regelen verbo (regel, regelt, regelde, regelden, geregeld)
    • afstellen verbo (stel af, stelt af, stelde af, stelden af, afgesteld)
  2. régler (terminer; achever; finir)
    klaren; in orde maken; regelen; afdoen
    • klaren verbo (klaar, klaart, klaarde, klaarden, geklaard)
    • in orde maken verbo (maak in orde, maakt in orde, maakte in orde, maakten in orde, in orde gemaakt)
    • regelen verbo (regel, regelt, regelde, regelden, geregeld)
    • afdoen verbo (doe af, doet af, deed af, deden af, afgedaan)
  3. régler (payer; payer la note; solder; égaliser; s'acquitter de)
    betalen; voldoen
    • betalen verbo (betaal, betaalt, betaalde, betaalden, betaald)
    • voldoen verbo (voldoe, voldoet, voldeed, voldeden, voldaan)
  4. régler (acquitter; payer)
    verrekenen; afrekenen; afbetalen; vereffenen
    • verrekenen verbo (verreken, verrekent, verrekende, verrekenden, verrekend)
    • afrekenen verbo (reken af, rekent af, rekende af, rekenden af, afgerekend)
    • afbetalen verbo (betaal af, betaalt af, betaalde af, betaalden af, afbetaald)
    • vereffenen verbo (vereffen, vereffent, vereffende, vereffenden, vereffend)
  5. régler
    instellen; afstemmen
    • instellen verbo (stel in, stelt in, stelde in, stelden in, ingesteld)
    • afstemmen verbo (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)
  6. régler (traiter à fond)
    behandelen; iets afhandelen
  7. régler (acquitter; solder; payer; s'acquitter de)
    aanzuiveren; nabetalen
    • aanzuiveren verbo (zuiver aan, zuivert aan, zuiverde aan, zuiverden aan, aangezuiverd)
    • nabetalen verbo (betaal na, betaalt na, betaalde na, betaalden na, nabetaald)
  8. régler (ajuster; adapter; raccommoder; )
    aanpassen; bijstellen
    • aanpassen verbo (pas aan, past aan, paste aan, pasten aan, aangepast)
    • bijstellen verbo (stel bij, stelt bij, stelde bij, stelden bij, bijgesteld)
  9. régler (réconcilier; arranger; concilier)
    goedmaken; bijleggen; ruzie afsluiten
    • goedmaken verbo (maak goed, maakt goed, maakte goed, maakten goed, goedgemaakt)
    • bijleggen verbo (leg bij, legt bij, legde bij, legden bij, bijgelegd)
  10. régler (solder; porter en compte)
    verrekenen; vereffenen
    • verrekenen verbo (verreken, verrekent, verrekende, verrekenden, verrekend)
    • vereffenen verbo (vereffen, vereffent, vereffende, vereffenden, vereffend)
  11. régler (accorder; ajuster; synchroniser; faire concorder; mettre au point)
    afstemmen; afstellen
    • afstemmen verbo (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)
    • afstellen verbo (stel af, stelt af, stelde af, stelden af, afgesteld)
  12. régler (acquitter; achever; solder; )
    voldoen; vereffenen; betalen
    • voldoen verbo (voldoe, voldoet, voldeed, voldeden, voldaan)
    • vereffenen verbo (vereffen, vereffent, vereffende, vereffenden, vereffend)
    • betalen verbo (betaal, betaalt, betaalde, betaalden, betaald)
  13. régler (dédommager; acquitter; payer; )
  14. régler (acquitter; solder; liquider; arranger)
    vereffenen; effenen; egaliseren
    • vereffenen verbo (vereffen, vereffent, vereffende, vereffenden, vereffend)
    • effenen verbo (effen, effent, effende, effenden, geëffend)
    • egaliseren verbo (egaliseer, egaliseert, egaliseerde, egaliseerden, geëgaliseerd)
  15. régler (acquitter; rembourser; amortir)
    aflossen; inlossen
    • aflossen verbo (los af, lost af, loste af, losten af, afgelost)
    • inlossen verbo (los in, lost in, loste in, losten in, ingelost)
  16. régler (ajuster; reconstituer; réparer; )
    repareren; herstellen; fiksen; maken; rechtzetten; goedmaken
    • repareren verbo (repareer, repareert, repareerde, repareerden, gerepareerd)
    • herstellen verbo (herstel, herstelt, herstelde, herstelden, hersteld)
    • fiksen verbo (fiks, fikst, fikste, fiksten, gefikst)
    • maken verbo (maak, maakt, maakte, maakten, gemaakt)
    • rechtzetten verbo (zet recht, zette recht, zetten recht, rechtgezet)
    • goedmaken verbo (maak goed, maakt goed, maakte goed, maakten goed, goedgemaakt)
  17. régler (synchroniser; faire concorder; ajuster; mettre au point; accorder)
    afstemmen; gelijkschakelen
    • afstemmen verbo (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)
    • gelijkschakelen verbo (schakel gelijk, schakelt gelijk, schakelde gelijk, schakelden gelijk, gelijkgeschakeld)
  18. régler (s'expliquer)
    uitpraten; ruzie bijleggen

Conjugaciones de régler:

Présent
  1. règle
  2. règles
  3. règle
  4. réglons
  5. réglez
  6. règlent
imparfait
  1. réglais
  2. réglais
  3. réglait
  4. réglions
  5. régliez
  6. réglaient
passé simple
  1. réglai
  2. réglas
  3. régla
  4. réglâmes
  5. réglâtes
  6. réglèrent
futur simple
  1. réglerai
  2. régleras
  3. réglera
  4. réglerons
  5. réglerez
  6. régleront
subjonctif présent
  1. que je règle
  2. que tu règles
  3. qu'il règle
  4. que nous réglions
  5. que vous régliez
  6. qu'ils règlent
conditionnel présent
  1. réglerais
  2. réglerais
  3. réglerait
  4. réglerions
  5. régleriez
  6. régleraient
passé composé
  1. ai réglé
  2. as réglé
  3. a réglé
  4. avons réglé
  5. avez réglé
  6. ont réglé
divers
  1. règle!
  2. réglez!
  3. réglons!
  4. réglé
  5. réglant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Sinónimos de "régler":


Traducciones automáticas externas:
Images:

Traducciones relacionadas de régler



Eliminar anuncios

Eliminar anuncios