Eliminar anuncios

Neerlandés

Traducciones detalladas de smeer de neerlandés a francés

smeer:

smeer [de ~ (m)] sustantivo

  1. de smeer (vet; reuzel; olie)
    la graisse; la matières grasses; la huile; le gras
  2. de smeer (smeersel; zalf; balsem; smeerseltje; smeerzalf)
    le baume; la pommade; l'onguent

Palabras relacionadas con "smeer":


smeren:

smeren verbo (smeer, smeert, smeerde, smeerden, gesmeerd)

  1. smeren (invetten; oliën; inoliën)
  2. smeren (vertrekken; weggaan; verwijderen; )

Conjugaciones de smeren:

o.t.t.
  1. smeer
  2. smeert
  3. smeert
  4. smeren
  5. smeren
  6. smeren
o.v.t.
  1. smeerde
  2. smeerde
  3. smeerde
  4. smeerden
  5. smeerden
  6. smeerden
v.t.t.
  1. heb gesmeerd
  2. hebt gesmeerd
  3. heeft gesmeerd
  4. hebben gesmeerd
  5. hebben gesmeerd
  6. hebben gesmeerd
v.v.t.
  1. had gesmeerd
  2. had gesmeerd
  3. had gesmeerd
  4. hadden gesmeerd
  5. hadden gesmeerd
  6. hadden gesmeerd
o.t.t.t.
  1. zal smeren
  2. zult smeren
  3. zal smeren
  4. zullen smeren
  5. zullen smeren
  6. zullen smeren
o.v.t.t.
  1. zou smeren
  2. zou smeren
  3. zou smeren
  4. zouden smeren
  5. zouden smeren
  6. zouden smeren
en verder
  1. ben gesmeerd
  2. bent gesmeerd
  3. is gesmeerd
  4. zijn gesmeerd
  5. zijn gesmeerd
  6. zijn gesmeerd
diversen
  1. smeer!
  2. smeert!
  3. gesmeerd
  4. smerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

Palabras relacionadas con "smeren":


Traducciones automáticas externas:
Images:


Eliminar anuncios

Eliminar anuncios