Neerlandés
Traducciones detalladas de smeer de neerlandés a francés
smeer:
smeren:
-
smeren (invetten; oliën; inoliën)
-
smeren (vertrekken; weggaan; verwijderen; wegtrekken; afreizen; opstappen; wegreizen)
Conjugaciones de smeren:
o.t.t.
- smeer
- smeert
- smeert
- smeren
- smeren
- smeren
o.v.t.
- smeerde
- smeerde
- smeerde
- smeerden
- smeerden
- smeerden
v.t.t.
- heb gesmeerd
- hebt gesmeerd
- heeft gesmeerd
- hebben gesmeerd
- hebben gesmeerd
- hebben gesmeerd
v.v.t.
- had gesmeerd
- had gesmeerd
- had gesmeerd
- hadden gesmeerd
- hadden gesmeerd
- hadden gesmeerd
o.t.t.t.
- zal smeren
- zult smeren
- zal smeren
- zullen smeren
- zullen smeren
- zullen smeren
o.v.t.t.
- zou smeren
- zou smeren
- zou smeren
- zouden smeren
- zouden smeren
- zouden smeren
en verder
- ben gesmeerd
- bent gesmeerd
- is gesmeerd
- zijn gesmeerd
- zijn gesmeerd
- zijn gesmeerd
diversen
- smeer!
- smeert!
- gesmeerd
- smerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
Palabras relacionadas con "smeren":
Traducciones automáticas externas:
Images: