Neerlandés

Traducciones detalladas de wijken de neerlandés a alemán

wijken:

wijken verbo (wijk, wijkt, week, weken, geweken)

  1. wijken
    weichen; fliehen
    • weichen verbo (weiche, weichst, weicht, weichte, weichtet, geweicht)
    • fliehen verbo (fliehe, fliehst, flieht, floh, floht, geflohen)

Conjugaciones de wijken:

o.t.t.
  1. wijk
  2. wijkt
  3. wijkt
  4. wijken
  5. wijken
  6. wijken
o.v.t.
  1. week
  2. week
  3. week
  4. weken
  5. weken
  6. weken
v.t.t.
  1. ben geweken
  2. bent geweken
  3. is geweken
  4. zijn geweken
  5. zijn geweken
  6. zijn geweken
v.v.t.
  1. was geweken
  2. was geweken
  3. was geweken
  4. waren geweken
  5. waren geweken
  6. waren geweken
o.t.t.t.
  1. zal wijken
  2. zult wijken
  3. zal wijken
  4. zullen wijken
  5. zullen wijken
  6. zullen wijken
o.v.t.t.
  1. zou wijken
  2. zou wijken
  3. zou wijken
  4. zouden wijken
  5. zouden wijken
  6. zouden wijken
diversen
  1. wijk!
  2. wijkt!
  3. geweken
  4. wijkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for wijken:

VerbTraducciones relacionadasOther Translations
fliehen wijken er tussenuit knijpen; er vandoor gaan; lopend weggaan; losbreken; loskomen; ontglippen; ontkomen; ontslagen worden; ontsnappen; ontsnappen aan; ontvluchten; op vrije voeten gesteld worden; uit de weg gaan; uitwijken; uitwijken voor iets; vlieden; vluchten; vrijkomen; weghaasten; weghollen; wegijlen; wegkomen; weglopen; wegrennen; wegsnellen; wegspoeden; wegvluchten; zich bevrijden; zich met geweld losbreken; zich vrijmaken
weichen wijken inweken; zwichten

Palabras relacionadas con "wijken":


Wiktionary: wijken


Cross Translation:
FromToVia
wijken entsagen; verzichten; entäußern; fortlassen; überlassen; unterlassen; abtreten; nachgeben; weichen; zedieren; übertragen; einräumen; zurückweichen abandonner — Se remettre à ; se laisser aller à ; se livrer à.
wijken ablassen; abtreten; nachgeben; weichen; überlassen; zedieren; übertragen; einräumen; zurückweichen; abdanken; abdizieren; zurücktreten; verzichten; sein Amt niederlegen; seine Würde niederlegen abdiquerrenoncer à un pouvoir que l’on exercer ; se démettre de ses fonctions.
wijken aufhören; beenden; einstellen; aufgeben; Ende cesser — Discontinuer, arrêter, finir, interrompre, terminer.
wijken abtreten; abgeben; überlassen céder — Laisser, abandonner une chose à quelqu’un.
wijken aufschieben; fristen; stunden; vertagen; verzögern; abtreten; nachgeben; weichen; überlassen; zedieren; übertragen; einräumen; zurückweichen reculertirer ou pousser un objet en arrière.

wijken forma de wijk:

wijk [de ~] sustantivo

  1. de wijk (stadswijk; buurt; woonwijk; )
    der Stadtteil; Stadtviertel; der Stadtbezirk

Translation Matrix for wijk:

NounTraducciones relacionadasOther Translations
Stadtbezirk buitenwijk; buurt; centrum; handelswijk; plein; sectie; stadsdeel; stadskwartier; stadswijk; wijk; woonwijk district; randstad
Stadtteil buitenwijk; buurt; centrum; handelswijk; plein; sectie; stadsdeel; stadskwartier; stadswijk; wijk; woonwijk deel van de stad; district
Stadtviertel buitenwijk; buurt; centrum; handelswijk; plein; sectie; stadsdeel; stadskwartier; stadswijk; wijk; woonwijk

Palabras relacionadas con "wijk":


Wiktionary: wijk

wijk
noun
  1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
wijk
noun
  1. Kanal in einer Fehnkolonie zum Zwecke der Entwässerung und Schifffahrt
  2. eine Wohngegend; ein Häuserblock

Cross Translation:
FromToVia
wijk Umgebung; Nachbarschaft neighborhood — nearby area
wijk Umgebung; Nachbarschaft neighbourhood — close proximity, particularly in reference to home
wijk Stadtteil; Viertel quarter — section of a town
wijk Viertel; Quartier; Stadtviertel; Stadtteil quartierquart, une des quatre parties plus ou moins égales d'un tout.

Traducciones relacionadas de wijken