Neerlandés

Sinónimos detallados de aangezien en neerlandés

aangezien:

aangezien adj.

  1. aangezien
  2. aangezien
    omdat; aangezien; daar

aangezien

  1. aangezien
    – het woord noemt een reden 1
    omdat; daar; aangezien
    – het woord noemt een reden 1
    • omdat
      • ik kan niet komen omdat Jan ziek is1
    • daar adv.
      • daar ik hoofdpijn heb, wil ik nu gaan slapen1
    • aangezien
      • aangezien ik moe ben, ga ik nu slapen1

Palabras relacionadas con "aangezien":

  • aangeziene

Sinónimos alternativos de "aangezien":


Definiciones relacionadas de "aangezien":

  1. het woord noemt een reden1
    • aangezien ik moe ben, ga ik nu slapen1

aanzien:

aanzien [het ~] sustantivo

  1. het aanzien
    het niveau; het aanzien; de achting
  2. het aanzien
    de status; het prestige; het aanzien; achtbaarheid
  3. het aanzien
    de allure; het aanzien
  4. het aanzien
    het exterieur; het aanzien
  5. het aanzien
    de grootheid; de eminentie; de verhevenheid; het aanzien; edel; de verheffing; de hoogheid
  6. het aanzien
    de verschijning; het uiterlijk; het voorkomen; de gedaante; het type; de buitenkant; de vorm; het vertoon; het aanzien; het aangezicht; het gelaat
  7. het aanzien
    – hoe het eruitziet 1
    het aanzien
    – hoe het eruitziet 1
    • aanzien [het ~] sustantivo
      • deze straat heeft een ander aanzien gekregen1

aanzien verbo (zie aan, ziet aan, zag aan, zagen aan, aangezien)

  1. aanzien
    aankijken; aanzien; aanblikken
    • aankijken verbo (kijk aan, kijkt aan, keek aan, keken aan, aangekeken)
    • aanzien verbo (zie aan, ziet aan, zag aan, zagen aan, aangezien)
    • aanblikken verbo (blik aan, blikt aan, blikte aan, blikten aan, aangeblikt)
  2. aanzien
    – bekijken 1
    aanzien
    – bekijken 1
    • aanzien verbo (zie aan, ziet aan, zag aan, zagen aan, aangezien)
      • hij zag Tina voor iemand anders aan1
  3. aanzien
    – er rustig naar kijken en nog niets doen 1
    aanzien
    – er rustig naar kijken en nog niets doen 1
    • aanzien verbo (zie aan, ziet aan, zag aan, zagen aan, aangezien)
      • we zullen het nog even aanzien voor we maatregelen nemen1

Conjugaciones de aanzien:

o.t.t.
  1. zie aan
  2. ziet aan
  3. ziet aan
  4. zien aan
  5. zien aan
  6. zien aan
o.v.t.
  1. zag aan
  2. zag aan
  3. zag aan
  4. zagen aan
  5. zagen aan
  6. zagen aan
v.t.t.
  1. heb aangezien
  2. hebt aangezien
  3. heeft aangezien
  4. hebben aangezien
  5. hebben aangezien
  6. hebben aangezien
v.v.t.
  1. had aangezien
  2. had aangezien
  3. had aangezien
  4. hadden aangezien
  5. hadden aangezien
  6. hadden aangezien
o.t.t.t.
  1. zal aanzien
  2. zult aanzien
  3. zal aanzien
  4. zullen aanzien
  5. zullen aanzien
  6. zullen aanzien
o.v.t.t.
  1. zou aanzien
  2. zou aanzien
  3. zou aanzien
  4. zouden aanzien
  5. zouden aanzien
  6. zouden aanzien
diversen
  1. zie aan!
  2. ziet aan!
  3. aangezien
  4. aanzienende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Sinónimos alternativos de "aanzien":


Definiciones relacionadas de "aanzien":

  1. bekijken1
    • hij zag Tina voor iemand anders aan1
  2. er rustig naar kijken en nog niets doen1
    • we zullen het nog even aanzien voor we maatregelen nemen1
  3. hoe het eruitziet1
    • deze straat heeft een ander aanzien gekregen1