Resumen
Neerlandés a francés: más información...
-
vervallen:
- tomber en ruïne; se délabrer; expirer; se passer; passer; parvenir; réussir; se terminer par; se terminer; descendre; aboutir; terminer; aboutir à; atterrir; se retrouver; atteindre; stopper; prendre fin; aborder; arriver; finir; s'arrêter; s'achever; s'écouler; arriver à; parvenir à; tomber dans; descendre en pente douce; aller en pente; diminuer; réduire; baisser; décliner; décroître; amoindrir; couler; sombrer; s'enfoncer; s'enliser; dépérir; délabrer
- expiré; passé; écoulé; usé
- expiration; écoulement
Neerlandés
Traducciones detalladas de vervallen de neerlandés a francés
vervallen:
-
vervallen (bouwvallig worden)
-
vervallen (verstrijken; voorbijgaan; verlopen; vergaan; aflopen)
expirer; se passer; passer; parvenir; réussir; se terminer par; se terminer; descendre; aboutir; terminer; aboutir à; atterrir; se retrouver; atteindre; stopper; prendre fin; aborder; arriver; finir; s'arrêter; s'achever; s'écouler; arriver à; parvenir à; tomber dans-
expirer verbo
-
se passer verbo
-
passer verbo
-
parvenir verbo
-
réussir verbo
-
se terminer par verbo
-
se terminer verbo
-
descendre verbo
-
aboutir verbo
-
terminer verbo
-
aboutir à verbo
-
atterrir verbo
-
se retrouver verbo
-
atteindre verbo
-
stopper verbo
-
prendre fin verbo
-
aborder verbo
-
arriver verbo
-
finir verbo
-
s'arrêter verbo
-
s'achever verbo
-
s'écouler verbo
-
arriver à verbo
-
parvenir à verbo
-
tomber dans verbo
-
-
vervallen (flauw hellend aflopend; aflopen; glooien)
-
vervallen (minder worden; declineren; afnemen; verminderen; dalen; teruggaan; tanen; minderen)
-
vervallen (wegzinken; wegglijden; inzinken; aftakelen; afzakken; afglijden)
-
vervallen (vergaan; verkommeren)
Conjugaciones de vervallen:
o.t.t.
- verval
- vervalt
- vervalt
- vervallen
- vervallen
- vervallen
o.v.t.
- verviel
- verviel
- verviel
- vervielen
- vervielen
- vervielen
v.t.t.
- ben vervallen
- bent vervallen
- is vervallen
- zijn vervallen
- zijn vervallen
- zijn vervallen
v.v.t.
- was vervallen
- was vervallen
- was vervallen
- waren vervallen
- waren vervallen
- waren vervallen
o.t.t.t.
- zal vervallen
- zult vervallen
- zal vervallen
- zullen vervallen
- zullen vervallen
- zullen vervallen
o.v.t.t.
- zou vervallen
- zou vervallen
- zou vervallen
- zouden vervallen
- zouden vervallen
- zouden vervallen
diversen
- verval!
- vervalt!
- vervallen
- vervallend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
vervallen (verstreken; beëindigd; verlopen; voorbij)
-
vervallen (versleten; afgeleefd; oud; afgedragen; afgetrapt)
-
het vervallen (verstrijken)
Traducciones automáticas externas:
Images: