Resumen
Español a neerlandés:   más información...
  1. mando:
  2. mandar:
  3. Wiktionary:


Español

Traducciones detalladas de mando de español a neerlandés

mando:

mando [el ~] sustantivo

  1. el mando (apremio; encargo; consigna; )
    de opdracht; de order; de taak; het consigne; het dwangbevel; het bevelschrift
  2. el mando (conducción; empleados; plantilla; personal; asalariados)
    de bediening; de besturing
  3. el mando (administración; dirección; gerencia; gobierno)
    het bestuur; de leiding; de directie; het beheer
  4. el mando (orden; encargo; comando; tarea; mandato)
    de dienstorder
  5. el mando (dirección)
    voorgaan; de leiding; het aanvoeren; de aanvoering
  6. el mando
    het besturen; regeren
  7. el mando (mandamiento; orden; comando)
    de order; de commando; het bevel
  8. el mando (instrucción; tarea; enseñanza; )
    de aanwijzing; het voorschrift; de instructie
  9. el mando (encargado del equipo; capataz)
    de voorwerker

Translation Matrix for mando:

NounTraducciones relacionadasOther Translations
aanvoeren dirección; mando
aanvoering dirección; mando
aanwijzing asignación; comando; encargo; enseñanza; indicación; instrucción; mandato; mando; misión; orden; tarea directivas; directrices; espolón; esporo; espuela; gesto; huella; indicación; indicio; información; mensajero; precursor; precursora; presagio; punta; punto de referencia; seña; señal; signo precursor; sugerencia; síntoma; vestigio; vía
bediening asalariados; conducción; empleados; mando; personal; plantilla apoyo; asistencia; atención al cliente; auxilio; auxilio social; ayuda; muestra de servicio; personal; servicio
beheer administración; dirección; gerencia; gobierno; mando administración; control; custodia; gerencia; gestión; supervisión; vigilancia
besturen mando dirigir
besturing asalariados; conducción; empleados; mando; personal; plantilla cambio de acciones; control; cotización
bestuur administración; dirección; gerencia; gobierno; mando dirección; estrategia; gestión política; política; táctica
bevel comando; mandamiento; mando; orden
bevelschrift apremio; comando; cometido; comisión; consigna; dedicación; encargo; enseñanza; instrucción; mando; misión mandatos; órdenes
commando comando; mandamiento; mando; orden
consigne apremio; comando; cometido; comisión; consigna; dedicación; encargo; enseñanza; instrucción; mando; misión contraseña; encargo; instrucciones; ordenes; santo y seña; tarea
dienstorder comando; encargo; mandato; mando; orden; tarea
directie administración; dirección; gerencia; gobierno; mando dirección de empresa; gerencia; junta directiva; mandos
dwangbevel apremio; comando; cometido; comisión; consigna; dedicación; encargo; enseñanza; instrucción; mando; misión
instructie asignación; comando; encargo; enseñanza; indicación; instrucción; mandato; mando; misión; orden; tarea clase; comando; comisión; educación; instrucción; instrucción de acción; lección
leiding administración; dirección; gerencia; gobierno; mando cable; cambio de acciones; cotización
opdracht apremio; comando; cometido; comisión; consigna; dedicación; encargo; enseñanza; instrucción; mando; misión comando; encargo; instrucciones; ordenes; tarea
order apremio; comando; cometido; comisión; consigna; dedicación; encargo; enseñanza; instrucción; mandamiento; mando; misión; orden
regeren mando
taak apremio; comando; cometido; comisión; consigna; dedicación; encargo; enseñanza; instrucción; mando; misión Tarea pendiente; actividad; cargo; caso; contrato; empleo; obra; tarea; tarea escolar; tarea pendiente; trabajo; trabajo escrito
voorgaan dirección; mando
voorschrift asignación; comando; encargo; enseñanza; indicación; instrucción; mandato; mando; misión; orden; tarea directiva; instrucción; norma; regla; regulación
voorwerker capataz; encargado del equipo; mando
VerbTraducciones relacionadasOther Translations
aanvoeren abordar; conducir; dar orden de; decretar; dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; liderar; llevar; mandar; ordenar; pilotar; plantear; preceder; presidir; proponer; ser primero; sugerir
besturen administrar; dirigir; encabezar; estar en cabeza; gestionar; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; mandar
regeren dominar; ejercer el poder; imperar; predominar; prevalecer; reinar
Not SpecifiedTraducciones relacionadasOther Translations
order pedido

Sinónimos de "mando":


Wiktionary: mando

mando
noun
  1. het mechaniek waarmee een apparaat bestuurd wordt
  2. bevel, leiding
  3. opgelegde verplichting
  4. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet

Cross Translation:
FromToVia
mando afstandsbediening remote control — A device used to operate an appliance or mechanical toy from a short distance away
mando bestuur; bewind; heerschappij; regering; bevel; commando commandement — À trier
mando koningschap; rijk; staat; bestuur; bewind; heerschappij; regering règneexercice du pouvoir souverain dans un état monarchique.
mando gedrag; houding; manieren; bestuur; bewind; heerschappij; regering; verzorging; onderhoud; bestel; leiding; rondleiding; verpleging tenue — Traductions à trier suivant le sens.
mando afstandsbediening télécommandetransmission à distance d’un signal déclenchant l’exécution d’un ordre par un dispositif.

mandar:

mandar verbo

  1. mandar (enviar; despedir; expedir; )
    verzenden; sturen; opsturen; toezenden; posten; wegzenden; wegsturen
    • verzenden verbo (verzend, verzendt, verzond, verzonden, verzonden)
    • sturen verbo (stuur, stuurt, stuurde, stuurden, gestuurd)
    • opsturen verbo (stuur op, stuurt op, stuurde op, stuurden op, opgestuurd)
    • toezenden verbo (zend toe, zendt toe, zond toe, zonden toe, toegezonden)
    • posten verbo (post, postte, postten, gepost)
    • wegzenden verbo (zend weg, zendt weg, zond weg, zonden weg, weggezonden)
    • wegsturen verbo (stuur weg, stuurt weg, stuurde weg, stuurden weg, weggestuurd)
  2. mandar (enviar; expedir; remitir; )
    zenden; versturen
    • zenden verbo (zend, zendt, zond, zonden, gezonden)
    • versturen verbo (verstuur, verstuurt, verstuurde, verstuurden, verstuurd)
  3. mandar (enviar; mandar a)
    zenden; opsturen; toezenden; iem. iets sturen; posten; overmaken; doen toekomen
    • zenden verbo (zend, zendt, zond, zonden, gezonden)
    • opsturen verbo (stuur op, stuurt op, stuurde op, stuurden op, opgestuurd)
    • toezenden verbo (zend toe, zendt toe, zond toe, zonden toe, toegezonden)
    • posten verbo (post, postte, postten, gepost)
    • overmaken verbo (maak over, maakt over, maakte over, maakten over, overgemaakt)
  4. mandar (entregar a domicilio; traer; llevar; )
    bestellen; brengen; afgeven; bezorgen; afleveren; thuisbezorgen; overhandigen
    • bestellen verbo (bestel, bestelt, bestelde, bestelden, besteld)
    • brengen verbo (breng, brengt, bracht, brachten, gebracht)
    • afgeven verbo (geef af, geeft af, gaf af, gaven af, afgegeven)
    • bezorgen verbo (bezorg, bezorgt, bezorgde, bezorgden, bezorgd)
    • afleveren verbo (lever af, levert af, leverde af, leverden af, afgeleverd)
    • thuisbezorgen verbo (bezorg thuis, bezorgt thuis, bezorgde thuis, bezorgden thuis, thuisbezorgd)
    • overhandigen verbo (overhandig, overhandigt, overhandigde, overhandigden, overhandigd)
  5. mandar (encabezar; guiar; llevar; )
    leiden; aanvoeren; commanderen; bevel voeren over; leidinggeven
    • leiden verbo (leid, leidt, leidde, leidden, geleid)
    • aanvoeren verbo (voer aan, voert aan, voerde aan, voerden aan, aangevoerd)
    • commanderen verbo (commandeer, commandeert, commandeerde, commandeerden, gecommandeerd)
    • leidinggeven verbo (geef leiding, geeft leiding, gaf leiding, gaven leiding, leiding gegeven)
  6. mandar (despachar; echar; enviar; )
    ontslaan; wegsturen; ontheffen; verzenden; wegzenden; uitsturen
    • ontslaan verbo (ontsla, ontslaat, ontsloeg, ontsloegen, ontslagen)
    • wegsturen verbo (stuur weg, stuurt weg, stuurde weg, stuurden weg, weggestuurd)
    • ontheffen verbo (onthef, ontheft, onthief, onthieven, ontheven)
    • verzenden verbo (verzend, verzendt, verzond, verzonden, verzonden)
    • wegzenden verbo (zend weg, zendt weg, zond weg, zonden weg, weggezonden)
    • uitsturen verbo (stuur uit, stuurt uit, stuurde uit, stuurden uit, uitgestuurd)
  7. mandar (dirigir; gobernar; guiar; )
    leiden; besturen; aanvoeren; voorzitten; leiding geven; managen
    • leiden verbo (leid, leidt, leidde, leidden, geleid)
    • besturen verbo (bestuur, bestuurt, bestuurde, bestuurden, bestuurd)
    • aanvoeren verbo (voer aan, voert aan, voerde aan, voerden aan, aangevoerd)
    • voorzitten verbo (zit voor, zat voor, zaten voor, voorgezeten)
    • managen verbo (manage, managed, managde, managden, gemanaged)
  8. mandar (ordenar; decretar; dar orden de)
    bevelen; gelasten; opdragen; commanderen; verordenen; decreteren; gebieden
    • bevelen verbo (beveel, beveelt, beval, bevolen, bevolen)
    • gelasten verbo (gelast, gelastte, gelastten, gelast)
    • opdragen verbo (draag op, draagt op, droeg op, droegen op, opgedragen)
    • commanderen verbo (commandeer, commandeert, commandeerde, commandeerden, gecommandeerd)
    • verordenen verbo (verorden, verordent, verordende, verordenden, verordend)
    • decreteren verbo (decreteer, decreteert, decreteerde, decreteerden, gedecreteerd)
    • gebieden verbo (gebied, gebiedt, gebood, geboden, geboden)
  9. mandar (enviar; contribuir; exponer)
    inzenden; insturen
    • inzenden verbo (zend in, zendt in, zond in, zonden in, ingezonden)
    • insturen verbo (stuur in, stuurt in, stuurde in, stuurden in, ingestuurd)
  10. mandar (encomendar; encargar; instruir; dar un encargo; ordenar)
    opdracht geven; instrueren; opdragen; instructie geven
    • opdracht geven verbo (geef opdracht, geeft opdracht, gaf opdracht, gaven opdracht, opdracht gegeven)
    • instrueren verbo (instrueer, instrueert, instrueerde, instrueerden, geïnstrueerd)
    • opdragen verbo (draag op, draagt op, droeg op, droegen op, opgedragen)
  11. mandar (llevar adelante; atacar; forzar; )
    doordrijven
    • doordrijven verbo (drijf door, drijft door, dreef door, dreven door, doorgedreven)
  12. mandar (dominar; subyugar; imperar; reinar)
    overheersen; beheersen; machtiger zijn; onderwerpen; heersen over
  13. mandar (decretar; encargar; encomendar; )
    opdragen; decreteren; bevelen; verordenen; verordonneren; gelasten; gebieden; commanderen
    • opdragen verbo (draag op, draagt op, droeg op, droegen op, opgedragen)
    • decreteren verbo (decreteer, decreteert, decreteerde, decreteerden, gedecreteerd)
    • bevelen verbo (beveel, beveelt, beval, bevolen, bevolen)
    • verordenen verbo (verorden, verordent, verordende, verordenden, verordend)
    • verordonneren verbo (verordonneer, verordonneert, verordonneerde, verordonneerden, verordonneerd)
    • gelasten verbo (gelast, gelastte, gelastten, gelast)
    • gebieden verbo (gebied, gebiedt, gebood, geboden, geboden)
    • commanderen verbo (commandeer, commandeert, commandeerde, commandeerden, gecommandeerd)
  14. mandar (dictar; decretar; fijar; estipular; ordenar)
    gebieden; voorschrijven; gelasten
    • gebieden verbo (gebied, gebiedt, gebood, geboden, geboden)
    • voorschrijven verbo (schrijf voor, schrijft voor, schreef voor, schreven voor, voorgeschreven)
    • gelasten verbo (gelast, gelastte, gelastten, gelast)
  15. mandar (reinar; dominar)
    heersen; heerschappij voeren
  16. mandar (prevalecer; imperar; reinar; dominar)
    heersen; de overhand hebben
    • heersen verbo (heers, heerst, heerste, heersten, geheerst)
    • de overhand hebben verbo (heb de overhand, hebt de overhand, heeft de overhand, had de overhand, hadden de overhand, de overhand gehad)
  17. mandar (ordenar; prescribir; disponer; )
    voorschrijven; bevelen; gelasten; gebieden; dicteren
    • voorschrijven verbo (schrijf voor, schrijft voor, schreef voor, schreven voor, voorgeschreven)
    • bevelen verbo (beveel, beveelt, beval, bevolen, bevolen)
    • gelasten verbo (gelast, gelastte, gelastten, gelast)
    • gebieden verbo (gebied, gebiedt, gebood, geboden, geboden)
    • dicteren verbo (dicteer, dicteert, dicteerde, dicteerden, gedicteerd)
  18. mandar (comandar; mandonear)
    majoreren
    • majoreren verbo (majoreer, majoreert, majoreerde, majoreerden, gemajoreerd)
  19. mandar (ordenar; encargar; agobiar; )
    belasten; opdragen
    • belasten verbo (belast, belastte, belastten, belast)
    • opdragen verbo (draag op, draagt op, droeg op, droegen op, opgedragen)
  20. mandar (devolver; entregar a; enviar; remitir; retransmitir)
    capituleren; opgeven; zich overgeven; overgeven; uitleveren
    • capituleren verbo (capituleer, capituleert, capituleerde, capituleerden, gecapituleerd)
    • opgeven verbo (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • overgeven verbo (geef over, geeft over, gaf over, gaven over, overgegeven)
    • uitleveren verbo (lever uit, levert uit, leverde uit, leverden uit, uitgeleeefd)

Conjugaciones de mandar:

presente
  1. mando
  2. mandas
  3. manda
  4. mandamos
  5. mandáis
  6. mandan
imperfecto
  1. mandaba
  2. mandabas
  3. mandaba
  4. mandábamos
  5. mandabais
  6. mandaban
indefinido
  1. mandé
  2. mandaste
  3. mandó
  4. mandamos
  5. mandasteis
  6. mandaron
fut. de ind.
  1. mandaré
  2. mandarás
  3. mandará
  4. mandaremos
  5. mandaréis
  6. mandarán
condic.
  1. mandaría
  2. mandarías
  3. mandaría
  4. mandaríamos
  5. mandaríais
  6. mandarían
pres. de subj.
  1. que mande
  2. que mandes
  3. que mande
  4. que mandemos
  5. que mandéis
  6. que manden
imp. de subj.
  1. que mandara
  2. que mandaras
  3. que mandara
  4. que mandáramos
  5. que mandarais
  6. que mandaran
miscelánea
  1. ¡manda!
  2. ¡mandad!
  3. ¡no mandes!
  4. ¡no mandéis!
  5. mandado
  6. mandando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Translation Matrix for mandar:

NounTraducciones relacionadasOther Translations
aanvoeren dirección; mando
afgeven despachar; distribución; entrega
afleveren despachar; distribución; entrega
bestellen pedir
besturen dirigir; mando
leidinggeven dirigir
onderwerpen asuntos; temas
ontslaan despedir
opgeven solicitar
overgeven capitulación; entrega; rendición; vómitos
posten echar al correo; expedición; remisión
sturen ruedas del timón; volantes
verordenen declaración; determinación; imposición
versturen expedición; remisión
verzenden expedición; remisión
voorschrijven declaración; determinación; imposición
wegsturen expedición; remisión
VerbTraducciones relacionadasOther Translations
aanvoeren conducir; dar orden de; decretar; dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; liderar; llevar; mandar; ordenar; pilotar; preceder; presidir; ser primero abordar; plantear; proponer; sugerir
afgeven acompañar; entregar a; entregar a domicilio; llevar; mandar; suministrar; traer acceder; ceder; consentir; dar; entregar; hacer entrega; manchar; ofrecer; presentar; proporcionar; reconocer; transmitir; traspasar
afleveren acompañar; entregar a; entregar a domicilio; llevar; mandar; suministrar; traer entregar; entregar a domicilio; llevar; repartir; repartir a domicilio; suministrar; traer
beheersen dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar controlar; dominar; quedarse tranquilo; refrenar; reprimir
belasten agobiar; cargar; encargar; gravar; mandar; ordenar; pesar sobre
bestellen acompañar; entregar a; entregar a domicilio; llevar; mandar; suministrar; traer encargar; entregar; pedir; repartir
besturen dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; mandar administrar; gestionar
bevel voeren over conducir; dar orden de; decretar; dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; liderar; llevar; mandar; ordenar; pilotar; preceder; presidir; ser primero
bevelen dar orden de; decretar; dictar; disponer; encargar; encomendar; mandar; obligar; ordenar; prescribir
bezorgen acompañar; entregar a; entregar a domicilio; llevar; mandar; suministrar; traer entregar; entregar a domicilio; llevar; repartir; repartir a domicilio; suministrar; traer
brengen acompañar; entregar a; entregar a domicilio; llevar; mandar; suministrar; traer acompañar; alcanzar; apasionar; entregar; entregar a domicilio; llevar; repartir; repartir a domicilio; suministrar; traer; transportar; trasladar
capituleren devolver; entregar a; enviar; mandar; remitir; retransmitir capitular; entregarse; rendirse
commanderen conducir; dar orden de; decretar; dirigir; encabezar; encargar; encomendar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; liderar; llevar; mandar; obligar; ordenar; pilotar; preceder; presidir; ser primero
de overhand hebben dominar; imperar; mandar; prevalecer; reinar dominar; predominar
decreteren dar orden de; decretar; encargar; encomendar; mandar; obligar; ordenar anunciar; declarar; decretar; notificar; ordenar; proclamar; promulgar
dicteren decretar; dictar; disponer; mandar; obligar; ordenar; prescribir dictar; dictar una carta; prescribir; recetar
doen toekomen enviar; mandar; mandar a
doordrijven acometer; agraviar; arrebatar; asaltar; asediar; atacar; atracar; avanzar; disponer; endilgar; forzar; forzarse; inculcar; infringir; llevar adelante; machacar; mandar; transgredir
gebieden dar orden de; decretar; dictar; disponer; encargar; encomendar; estipular; fijar; mandar; obligar; ordenar; prescribir
gelasten dar orden de; decretar; dictar; disponer; encargar; encomendar; estipular; fijar; mandar; obligar; ordenar; prescribir
heerschappij voeren dominar; mandar; reinar
heersen dominar; imperar; mandar; prevalecer; reinar dominar; ejercer el poder; extendir de una enfermedad; imperar; predominar; prevalecer; reinar
heersen over dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar
iem. iets sturen enviar; mandar; mandar a
instructie geven dar un encargo; encargar; encomendar; instruir; mandar; ordenar
instrueren dar un encargo; encargar; encomendar; instruir; mandar; ordenar
insturen contribuir; enviar; exponer; mandar
inzenden contribuir; enviar; exponer; mandar
leiden conducir; dar orden de; decretar; dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; liderar; llevar; mandar; ordenar; pilotar; preceder; presidir; ser primero acompañar; arrojar; barrer; conducir; convoyar; echar; escoltar
leiding geven dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; mandar
leidinggeven conducir; dar orden de; decretar; dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; liderar; llevar; mandar; ordenar; pilotar; preceder; presidir; ser primero
machtiger zijn dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar
majoreren comandar; mandar; mandonear
managen dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; mandar enfocar y tratar; manejar; percibir y manejar; poder con; poder llevar; tener roce con; tener trato con
onderwerpen dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar someter; subyugar; supeditar; vencer
ontheffen despachar; destituir; disolver; echar; enviar; expulsar; mandar absolver; desahogar; descargar; dispensar de; eximir de; exonerar de; librar
ontslaan despachar; destituir; disolver; echar; enviar; expulsar; mandar
opdracht geven dar un encargo; encargar; encomendar; instruir; mandar; ordenar encargar
opdragen agobiar; cargar; dar orden de; dar un encargo; decretar; encargar; encomendar; gravar; instruir; mandar; obligar; ordenar; pesar sobre
opgeven devolver; entregar a; enviar; mandar; remitir; retransmitir abandonar; abandonar toda esperanza; apuntarse para; capitular; dejar; dejar de; desahuciar; desemprender; desenganchar; desentenderse; desistir de; desprenderse; desvincular; empatar; entregar; entregarse; escupir; excretar; inmolar; inscribir; ofrecer; ofrendar; parar; perder toda esperanza; prescendir de; quedar eliminado; registrar; rendirse; renunciar a; retirarse; sacrificar; salir; salir de; soltar; suscribirse a; suspender; terminar
opsturen apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; mandar a; rechazar; remitir; retransmitir; soltar
overgeven devolver; entregar a; enviar; mandar; remitir; retransmitir arrojar; cambiar la peseta; ceder; dar; devolver; entregar; hacer entrega; ofrecer; presentar; proporcionar; rendir; transmitir; traspasar; vomitar
overhandigen acompañar; entregar a; entregar a domicilio; llevar; mandar; suministrar; traer acceder; ceder; consentir; dar; entregar; entregar a domicilio; hacer entrega; llevar; ofrecer; presentar; proporcionar; reconocer; repartir; repartir a domicilio; suministrar; traer; transmitir; traspasar
overheersen dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar dominar; ejercer el poder; imperar; predominar; prevalecer; reinar
overmaken enviar; mandar; mandar a
posten apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; mandar a; rechazar; remitir; retransmitir; soltar aparcar; colocar; colocarse; componer; destinar; echar al buzón; echar al correo; estacionar; estar echado; exponer; instalar; meter; publicar; ubicar
sturen apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar conducir; dirigir; estar al volante; llevar el timón
thuisbezorgen acompañar; entregar a; entregar a domicilio; llevar; mandar; suministrar; traer entregar; repartir
toezenden apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; mandar a; rechazar; remitir; retransmitir; soltar
uitleveren devolver; entregar a; enviar; mandar; remitir; retransmitir
uitsturen despachar; destituir; disolver; echar; enviar; expulsar; mandar
verordenen dar orden de; decretar; encargar; encomendar; mandar; obligar; ordenar decretar; ordenar; proclamar; promulgar
verordonneren dar orden de; decretar; encargar; encomendar; mandar; obligar; ordenar
versturen enviar; expedir; mandar; remitir; repartir; retransmitir; suministrar
verzenden apartar; deponer; despachar; despedir; destituir; disolver; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar distribuir; enviar
voorschrijven decretar; dictar; disponer; estipular; fijar; mandar; obligar; ordenar; prescribir
voorzitten dirigir; encabezar; estar en cabeza; gobernar; guiar; ir a la cabeza; ir delante; mandar
wegsturen apartar; deponer; despachar; despedir; destituir; disolver; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar declinar; rechazar
wegzenden apartar; deponer; despachar; despedir; destituir; disolver; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar
zenden enviar; expedir; mandar; mandar a; remitir; repartir; retransmitir; suministrar conducir; dirigir; emitir; estar al volante; irradiar; llevar el timón; radiar
zich overgeven devolver; entregar a; enviar; mandar; remitir; retransmitir capitular; entregarse; rendirse

Sinónimos de "mandar":


Wiktionary: mandar

mandar
verb
  1. bevel voeren over
  2. het bevel voeren over
  3. [een persoon] ergens heen doen gaan
  4. sturen

Cross Translation:
FromToVia
mandar bevelen; verordonneren order — to issue a command
mandar regeren rule — to regulate, be in charge of, make decisions for, reign over
mandar zenden; verzenden; sturen; opsturen send — make something go somewhere
mandar bevelen; gelasten; sommeren; verordenen; voorschrijven; aanvragen; bestellen commander — Ordonner, enjoindre quelque chose à quelqu’un. (Sens général).

Traducciones relacionadas de mando