Resumen
Neerlandés a sueco:   más información...
  1. opkrassen:


Neerlandés

Traducciones detalladas de opkrassen de neerlandés a sueco

opkrassen:

opkrassen verbo (kras op, krast op, kraste op, krasten op, opgekrast)

  1. opkrassen (ophoepelen; opdonderen; inrukken; oplazeren)
    försvinna; stick; fara åt helvete; dra
    • försvinna verbo (försvinnar, försvinnade, försvinnat)
    • stick verbo
    • fara åt helvete verbo (far åt helvete, for åt helvete, farit åt helvete)
    • dra verbo (drar, drog, dragit)
  2. opkrassen
    försvinna; sticka
    • försvinna verbo (försvinnar, försvinnade, försvinnat)
    • sticka verbo (sticker, stack, stuckit)

Conjugaciones de opkrassen:

o.t.t.
  1. kras op
  2. krast op
  3. krast op
  4. krassen op
  5. krassen op
  6. krassen op
o.v.t.
  1. kraste op
  2. kraste op
  3. kraste op
  4. krasten op
  5. krasten op
  6. krasten op
v.t.t.
  1. ben opgekrast
  2. bent opgekrast
  3. is opgekrast
  4. zijn opgekrast
  5. zijn opgekrast
  6. zijn opgekrast
v.v.t.
  1. was opgekrast
  2. was opgekrast
  3. was opgekrast
  4. waren opgekrast
  5. waren opgekrast
  6. waren opgekrast
o.t.t.t.
  1. zal opkrassen
  2. zult opkrassen
  3. zal opkrassen
  4. zullen opkrassen
  5. zullen opkrassen
  6. zullen opkrassen
o.v.t.t.
  1. zou opkrassen
  2. zou opkrassen
  3. zou opkrassen
  4. zouden opkrassen
  5. zouden opkrassen
  6. zouden opkrassen
en verder
  1. heb opgekrast
  2. hebt opgekrast
  3. heeft opgekrast
  4. hebben opgekrast
  5. hebben opgekrast
  6. hebben opgekrast
diversen
  1. kras op!
  2. krast op!
  3. opgekrast
  4. opkrassend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for opkrassen:

NounTraducciones relacionadasOther Translations
stick afdruk; doorn; graveerwerk; graveren; gravure; pijn in de zij; print; steek; stekel
VerbTraducciones relacionadasOther Translations
dra inrukken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren aanslepen; eruit halen; oprekken; rekken; sjorren; slepen; te voorschijn trekken
fara åt helvete inrukken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren
försvinna inrukken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren bekijken; dood kunnen vallen; er tussenuit knijpen; er vandoor gaan; verdwijnen; vervluchtigen; wegslinken; zoekraken
stick inrukken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren bekijken; dood kunnen vallen
sticka opkrassen aftroeven; breien; doorprikken; een por geven; klitten; openprikken; overtroeven; porren; prikken; prikken in; samenplakken; steken; steken geven; stoten; voorsnijden